Een Rotterdamse Paradox

6511-een-rotterdamse-paradox

(Door Rein Heijne)

Met enige verbijstering lees ik de aankondiging dat op 16, 17 en 18 mei in Rotterdam een wapenbeurs plaats zal vinden. Een militaire beurs gericht op het effectief leren omgaan met de moderne technologische wapens. Een groep van wapen producenten, militairen, politici en vak journalisten gaat zich drie dagen bezig houden met een cultuur die de motor is achter oorlogen.

Enkele dagen nadat in Rotterdam het bombardement van 14 mei 1940 zal worden herdacht. Nogal treurig en tamelijk ongepast.

Erasmus van Rotterdam schreef vijfhonderd jaar geleden in zijn Dulce Bellum Inexpertis (Zoet is de oorlog voor hen die hem niet kennen) al: En zo hebben wij dan ten laatste alle schaamte afgelegd en alle banden der betamelijkheid verbroken.

Het meest cynische ervan is echter dat deze wapenbeurs georganiseerd wordt in de stad die zich wereldwijd wil profileren als de stad van Desiderius Roterodamus. De gemeente Rotterdam zou nu dan ook haar verantwoordelijkheid moeten nemen door er duidelijk op te wijzen dat een dergelijke beurs niet thuis hoort in de stad van Erasmus – Icoon van Rotterdam.

Vrede en geweldloosheid waren voor hem belangrijke idealen. Idealen die het nog steeds waard zijn om uit te dragen en om na te streven. Voor hem waren waarden als vrijheid, verbondenheid, redelijkheid en verantwoordelijkheid essentieel voor een menswaardige en beschaafde samenleving.

In het recent verschenen boek De boemerang van oorlog en geweld – Een hedendaagse samenspraak over Erasmus’ visie op oorlog en vrede [i] wordt de oorspronkelijke tekst van Erasmus Dulce Bellum Inexpertis vergeleken met de actualiteit van de hedendaagse problematiek. Enkele van zijn uitspraken laten aan duidelijkheid niets te wensen over:

Zo er nu iets ter wereld is dat men moest schromen te beginnen, ja dat men geheel en al behoorde te vermijden, te verfoeien en uit te bannen, is het stellig de oorlog, omdat er niets goddelozer, rampzaliger, verderfelijker, hardnekkiger, schandelijker, kortom de mens, om niet te zeggen de christen, onwaardiger bestaat.

En wat is de oorlog anders dan een gemeenschappelijke moord en doodslag van velen, te misdadiger naarmate zij groter omvang hebben? Maar de ruwe edellieden van onze tijd lachen om de mallepraat van geleerden. En toch zien wij dat dit de oorsprong is geweest van een waanzin die thans het gehele leven beheerst.

O verblinding van de menselijke geest, dat zich niemand hierover verbaast, dat niemand daarvan gruwt! Er zijn er zelfs die het prijzen en toejuichen en een meer dan helse zaak heilig noemen. (Bron afbeelding: Boekje-pienter)

Van welingelichte kringen in Basel vernamen wij dat Erasmus zich onlangs in zijn graf heeft omgedraaid.

Rein Heijne

Bestuurslid Huis van Erasmus

Jan Tak :
De ITEC in AHOY is geen wapenbeurs, de antieke Kalashnikov op het plaatje is dus niet echt een voorbeeld van wat daar straks wordt besproken en zeker niet wordt verhandeld.
ITEC wordt georganiseerd door het Nederlandse TNO en beoogd kennis uitwisseling op gebied van militaire intelligentie en training, er is dus geen wapenhandel al worden er uiteraard wel contacten gelegd.

Helaas als je als stad Rotterdam zo naïef bent om nog onlangs zonder protest Hamas, wereldwijd gekenmerkt als terroristische organisatie, in de Doelen ontvangt om hier fondsen te werven en haat te zaaien, zal je ook moeten inzien dat er nog steeds een noodzaak is om je bevolking te beschermen, bij voorkeur met de intelligentie van ITEC maar in uiterste noodzaak ook met wapens.
Inderdaad een paradox welke zelfs Erasmus volledig begreep.De wereld is niet zo goed als wij allen wensen.

vrijdag 12 mei 2017

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Nagekomen Pinksterverhaal

(door Torcque Zaanen)

Er waren eens twee broers. De oudste, een harde werker, fanatieke kerkganger, geen slecht woord over te zeggen. Zijn broer daarentegen zoop als een ketter, hoerde en snoerde, werkschuw, en deed alles wat God (of de priesters) verboden hadden. De oudste broer waarschuwde de jongste dat als hij zo door zou gaan, hij nog eens in de “Hel” zou komen. De jongste lachte hem dan alleen maar uit.

Op een dag was het zover. Na het drinken van z’n laatste borreltje werd de koets geprepareerd om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden die, gezien zijn levensstijl, niet meer en niet minder dan de “Hel” betekende. Na enkele jaren in de “Hel” doorgebracht te hebben besloot hij op een dag wat verkoeling te zoeken en de benen te strekken. Na een kleine wandeling kwam hij bij een stenen muur die volgens zijn gevoelens weleens de scheiding tussen “Hemel” en “Hel” zou kunnen zijn.

Bij nader onderzoek ontdekte hij zowaar een stoffig raampje. Hij maakte het schoon en toen hij er doorheen kon kijken, kreeg hij bijna een hartstilstand. Het leek het er even op dat hij voor de tweede keer de kraaienmars zou blazen. Want wat zag hij daar, door dat smoezelige raampje... ja, z’n oudste broer, de broer die altijd zo netjes was geweest, hard gewerkt had, altijd trouw naar de kerk ging, die broer stond daar met een bezem in z’n handen, bezweet als een otter de grond te boenen.


Om de aandacht te trekken van z’n broer klopte hij met een rond slingerende bierfles zo hard hij kon op het raampje. Als bij toeval keek zijn broer op om te zien waar dat geklop vandaan kwam en zo keek hij zijn jongere broer in de ogen. Wat een verrassing, ja, hij was er wel blij mee, het was alleen jammer dat de afscheiding ertussen zat.

Ook al ging het moeilijk, ze konden toch nog wat ervaringen uitwisselen. De oudste broer maakte zich ook nu nog zorgen over z’n broertje, maar deze wuifde alle zorgen weg door te zeggen dat hij het enorm getroffen had: ‘al mijn vrienden en vriendinnen zijn hier, de hoertjes, de kroegbaas, ja eigenlijk iedereen en we vermaken ons best, alle drank is gratis, lekker eten en noem maar op, nee ik heb het best naar mijn zin.’

‘Maar tussen twee haakjes, wat doe jij daar in hemelsnaam met een bezem in je handen?’ ‘Nou, ja,...eh, kijk…’ begon z’n oudste broer verlegen, ‘het is hier erg groot en de boel moet schoon gehouden worden. Iemand moet het toch doen.’ ‘Hoe bedoel je, doen die anderen dan helemaal niks?’ De oudste broer keek hem vragend aan: ‘Hoe bedoel je: die anderen, welke anderen?’ ‘Nou gewoon,.. de anderen.’ ‘Nou nee,.... er zijn geen anderen, ik ben hier helemaal alleen.’ En hij nam zijn bezem weer op en veegde rustig door alsof hij zijn hele leven niets anders had gedaan.


  • Nieuw

  • Reacties