Piet Koster ‘Te paard, te paard…’ (1946 – 2010)

Eigenlijk wilde hij piloot worden en op een medische keuring na was hij daarvoor geschikt. Het lot bepaalde anders. Piet Koster belandde niet op start- en landingsbanen, maar in de journalistieke jungle. Daar bleek hij door zijn gedrevenheid, sociale vaardigheden en precisie uitermate voor geknipt.


Op de kunstredactie van Het Vrije Volk in Rotterdam stond hij bekend als ‘Pietje Precies’. Talloze malen verscheen hij daar bij de eindredactiedesk met opgeheven vingertje en zei met die ondeugende twinkeling in zijn ogen: ‘Mijne heren, een kleine correctie…’’.

Vorig jaar werd bij Piet kanker geconstateerd. Aan insiders had hij begin dit jaar verkondigd dat zijn einde naderde. Ogenschijnlijk praatte hij daar relativerend over. Samen met zijn vrouw Vera en zonen Floris en Steye wilde hij er nog een paar prachtmaanden van maken.


Tijdens zijn afscheid in een overvolle aula op de begraafplaats Crooswijk zei Leo Pronk, oud-hoofdredacteur van HVV en Rotterdams Dagblad: ,,Hij bouwde in zijn sector die hem zo lief was, de kunst en cultuur, grote netwerken op. Velen werden vrienden van Piet. Van het Rotterdams Philharmonisch, van Jasperina tot Youp en van Toon tot Freek. Hij kende iedereen en iedereen kende hem.’’

Eind tachtiger jaren, bij de teloorgang van ‘ons’ Vrije Volk, zie ik Piet de redactie op rennen met de haast profetische woorden: ‘Te paard, te paard, we zijn verraden!’ Als geboren ‘verzetsman’ kreeg hij pas achteraf gelijk. En hoe. In het slagveld dat volgde vielen collega’s bij bosjes, onder wie Piet. Toen ging hij stokrozen kweken. Die stonden kaarsrecht, zoals Piet zelf principieel tot het einde toe is gebleven.

In het uit de oorlog daterende restaurant ‘De Pijp’, waar Piet ook graag kwam had iemand met vilstift op een wc-muur geschreven: ‘Ik zit in het verzet, maar niemand weet dat het oorlog is’. Chapeau Piet!


Jim Postma, Rotterdamse Journalisten Vereniging (RJV)

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De mooiste gedichten van de wereld 4

50 dichters kiezen hun favoriete gedicht uit de schatkamers van Poetry International en vertellen waarom.

Jana Beranová over Vasko Popa


Een kleine hommage

Het is 1970, het 1e jaar van Poetry International.
Voor vertalingen is nog weinig geregeld. Ik lees
dat mijn landgenoot Miroslav Holub uit het Duits
is vertaald en bel op. Martin Mooij vraagt mij om
te komen. Holub kreeg van het toenmalig regiem
geen uitreisvisum. maar omdat ik ook uit andere
Slavische talen kan vertalen, bevind ik me opeens
tussen de werelddichters.

Eén kijkt me aan met van die droeve wolvenogen.
Ik wist toen nog niet dat wolven een belangrijke
rol speelden in zijn Roemeens-Servische cultuur.
Het is Vasko Popa en hij leest die avond uit
‘Spelen’ voor. Poëzie als spel met ons bestaan.
Ik lees en herlees. Tuimel van verbazing naar
verbazing. Het is Beckett, maar menselijker.
Een stoelpoot die lief gebaart! Ik zie een
keukenstoel. Allicht, fauteuils hebben armen.
Absurd. Een merkwaardige herkenning.

Van het eerste festival is op papier weinig
overgebleven, maar ‘Spelen’ zijn in mijn
vertaling opgenomen in Machine van
woorden (1975), de eerste boekuitgave
van Poetry International.

In 1974, toen hij de wolvengedichten las,
kocht ik voor hem een vaatje haringen – Popa
was dol op Hollandse nieuwe. Bij het afscheid
op Schiphol struikelde ik, het vaatje viel op de
grond en rolde naar hem toe. Hij gaf het een
tik, vaatje rolde terug en ik kon het alsnog
feestelijk overhandigen. Aan het eind van zijn
leven, hoorde ik jaren later, zat hij in winterjas
op een stoel midden in de kamer te wachten
op de dood. Dat was weer een andere stoel.



vertaling: Jana Beranová

Popa was 6x gast op Poetry International


  • Nieuw

  • Reacties