Ik ben gevormd door deze stad, en dat is onbetaalbaar

8066-ik-ben-gevormd-door-deze-stad-en-dat-is-onbetaalbaar (Door Jana Beranová)

Afgelopen dinsdag vond in zorgcentrum Atrium aan de Karel Doormanstraat een poëziebijeenkomst plaats. Daar trad ook Hans Sleutelaar op, die in dit zorgcentrum verzorgd wordt. Naar aanleiding van deze bijeenkomst en ook omdat Poetry International 2019 volgende week begint, publiceren we vandaag een ‘verloren’ interview met Hans Sleutelaar, gemaakt voor de papieren RV&M in oktober 2008. Maar door de plotselinge financiële crisis hield de papieren krant noodgedwongen op, was de digitale er nog niet en viel het interview – derde in een reeks na Neelie Kroes en Maria Heiden - tussen wal en schip. Maar ruim tien jaar na dato blijft het interessant leesvoer.


We zitten in een Parijs cafeetje, in Quartier Latin, niet ver van Hôtel du Mont Blanc waar in de jaren vijftig een kolonie Tsjechische emigranten verbleef, mijn ouders incluis. Hans is uit zijn schrijfverblijf in Normandië hiernaartoe gekomen.

Je was een van de vier schrijvers die zo’n halve eeuw geleden de literaire scene uitmaakten van Rotterdam: de Bende van Vier. Hoe is het begonnen?

We schreven beiden al in de schoolkrant, Cor Vaandrager en ik. Ik speelde jazz, tenorsax, in het Emporium. Dat was in 1955. Cor sprak me na afloop aan. We staken de koppen bij elkaar en zo ontstond Proefschrift, maandblad van de nieuwe generatie, die helaas maar een jaar leven beschoren was. Ad Donker jr. gaf het uit. In Rotterdam waren toen geen jongeren bij wie we ons konden aansluiten, iets als een literaire scene bestond niet. Dus gingen we in Antwerpen gelijkgestemde zielen ronselen, zoals Paul Snoek. Hugues Pernath en Gust Gils. Grote namen die toen nog vrijwel onbekend waren. Zij hadden met een paar anderen het 3-maandelijkse avant-gardeblad Gard Sivik opgericht. De titel was een ironische vervlaamsing van het Franse garde civil (burgerwacht).

In Amsterdam had je destijds Barbarber, tijdschrift voor teksten, een initiatief van leeftijdgenoten. Dat vonden wij te lief, de redactie hield naar onze smaak teveel van grappen. We hadden een hardere kijk op de dingen, geloofden in een andere strijd om het bestaan. Toen Proefschrift ophield, zeiden de Belgen ‘Kom maar bij ons’. Zo kwamen Vaandrager en ik in de redactie van Gard Sivik, dat vanaf 1958 een Rotterdams-Antwerps blad werd.

Gard Sivik kenmerkte zich door het verwoorden van de harde werkelijkheid. En dat betekende vernieuwing. Dat was nog niet eerder voorgekomen. Gard Sivik was de bakermat van de ‘totale poëzie’. Hans Verhagen – in mijn ogen de beste levende dichter in Nederland op dit moment – kwam erbij, hij werkte toen in Rotterdam bij het Algemeen Dagblad. En Armando, beeldend kunstenaar en schrijver. We opereerden vanuit mijn souterrain aan de Essenburgsingel. En werden, inderdaad, de Bende van Vier genoemd.

De Nieuwe Stijl
Jouw dichtregel ‘Wollt Ihr die totale Poesie?’ heeft niet alleen Komrij’s Nederlandse poëzie gehaald, maar zelfs de Tsjechische vertaling van 120 Nederlandse dichters over 120 jaar, gekozen uit Komrij’s bloemlezing. Wat is totale poëzie?

Totale poëzie betekende voor ons dat je over alles een gedicht kon maken. Over een kassabon, over zwerfvuil, wat dan ook. Poëzie die bepaald werd door eenvoud en zakelijkheid, door de vierkante mentaliteit van Rotterdam. Gard Sivik heeft negen jaar bestaan. Vooral de laatste jaargang legde een basis voor deze nieuwe stroming die De Nieuwe Stijl werd gedoopt. We hadden lef, betrokken internationale avant-garde in beeldende kunst bij literatuur, het nieuwe realisme. We organiseerden literaire middagen, braken de boel open. Het ging ons om een journalistieke blik op de realiteit, van gezwollen woorden en ‘geliteratureluur’ moesten we niets hebben. Een blad als Passionate beroept zich er vandaag de dag nog op, dat door ons de nieuwe generatie Rotterdamse dichters werd gevormd. Met Jules Deelder aan de kop. De totale poëzie was nuchter, net als de stad.

Willemsbrug
Waarom ben je uit Rotterdam weggegaan juist op het moment dat alles begon te bruisen?

Ik heb 33 jaar in Rotterdam gewoond. In 1968 ben ik verhuisd omdat ik een baan had bij de Haagse Post en het heen en weer pendelen zat was. Mijn herinneringen zijn vooral beelden van in de oorlog en na de oorlog. Ik ben er geboren. Wij woonden in de Jericholaan in Kralingen. Ik heb Rotterdam zien branden en smeulen, ik heb de stank van mensenvlees en mensenhaar geroken. Daar heb ik ook over geschreven. Mijn vader nam me mee naar de Willemsbrug – ik was vijf – dat was waanzinnig. De brug lag van twee kanten bezaaid met jongenslijken, jonge Duitsers en jonge mariniers. Onze jongens hadden vier dagen gevochten zonder enig commando, zonder achterban. Ieder vocht voor wat hij waard was.

Ik ben gevormd door deze stad, en dat is onbetaalbaar. De mentaliteit van aanpakken, doen. In de poëzie was deze mentaliteit ongebruikelijk. Is nog niet populair hoor.

Hoe heb je die macabere oorlogssfeer verwerkt?

Tot een jaar of vijf geleden beving mij altijd iets van een beklemming zodra ik in de buurt van Rotterdam kwam. Dat moet met de oorlog te maken hebben gehad. Die oorlog was nog steeds aanwezig, onverwerkt. De ziel was uit de stad geslagen. Dat voel je.

Wist je – dat is een stokpaardje van me – dat de gigantische verwoesting niet in de eerste plaats door het Duitse bombardement kwam? Zeker 140 tot 180 architectonisch waardevolle panden in de binnenstad hadden gered kunnen worden, maar de Rotterdamse gemeenteraad werd door de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken buitenspel gezet. Die beschadigde panden moesten tegen de vlakte om ruimte te maken voor verkeerswegen. Dat was een barbaarse beslissing. Rotterdam had te weinig liefde voor zichzelf. Als je het mij vraagt, begint de wederopbouw nu pas. De ziel van de stad, daar gaan een paar generaties overheen.

Je bent na al die jaren nog steeds boos.

Het is niet opgelost. Er zijn ‘onvereffende rekeningen’. Die moeten boven tafel komen.

Foto: Hans Sleutelaar in 2008 (Foto © Paul Hošek)

Ereplicht

Hoe zou je dat willen doen?

Je zou een tribunaal kunnen vormen. Duidelijke uitspraken doen. Nederland heeft altijd alles onder het tapijt geveegd. Heeft nauwelijks met Duitsland onderhandeld en heeft genoegen genomen met 4% van de geschatte schadeclaim. Duitsland heeft een ereplicht om zijn schuld aan de verwoesting van Rotterdam en roof officieel te erkennen.

Roof?

Roof van goud, diamanten en kunst uit joods bezit, naast een paar miljard gulden aan opgelegde schattingen. Ze zijn weggekomen met een scheet en een knikker. Ja toch? We zouden met Duits geld een monument kunnen oprichten. Dat zou zinvol zijn, ook voor latere geslachten.

De laatste jaren voel ik me in Rotterdam niet meer zo beklemd. De mentaliteit verandert. Er komt meer liefde voor het verleden. Je moet je durven herinneren en de geschiedenis levend houden. Al die nieuwelingen uit andere landen moeten dat ook weten. Iemand vertelde me dat er mensen zijn die denken dat Erasmus de ontwerper van de brug is. (We schaterlachen.)

Het is heel goed dat de brandgrens nu aandacht heeft gekregen. Ik ben als kind door puinvlaktes en uitgebrande treinen gestempeld voor het leven.

Waarschijnlijk net als jij door het vluchten.

Was wat je nu vertelt de drive om samen met Armando De SS’ers te schrijven?

Dat heeft zeker een rol gespeeld. Wij zijn twee jaar lang op zoek geweest naar ‘wat lammeren kan veranderen in tijgers’. Ofwel wat de Nederlandse vrijwilligers die zich hadden gemeld voor de Waffen SS – het leger dat de geschiedenis inging als de maffia van de Tweede Wereldoorlog – voelden en dachten. Het boek verscheen in 1967 en beleefde vijf drukken. Toen was dat not done om SS’ers aan het woord te laten. En de beweegredenen van de zeven gestrafte en gehate mannen en een vrouw bleken ook nog eens onveranderd. Dat boek maakten we uit nieuwsgierigheid. Voor onwetendheid koop je niks.

Als je het doortrekt naar onze tijd, gaat dat ook niet op voor de islam?

De schepping van het moderne Europa is te danken aan de islam – de Arabieren in Spanje. Wij weten niets van die cultuur af. We zouden serieus met elkaar in discussie moeten gaan, het onderwijs bijstellen.

Tegelijkertijd zie je dat mensen zich aanpassen aan de stad. De nieuwe Rotterdammer heeft veel gezichten, maar zijn mentaliteit is Rotterdams. De stad is altijd sterker dan de mens. Wat niet wil zeggen dat meer kennis van elkaars achtergronden en geschiedenis niet hard nodig is.

Ik heb natuurlijk makkelijk praten. Ik zit een groot deel van het jaar in mijn boerenstulp in Normandië, vanwege de stilte, en schrijf.

Foto: Hans Sleutelaar in 2008 (Foto © Paul Hošek)

Made in Rotterdam

Wat schrijven betreft ben je wel een duizendpoot.

Dat klopt. Ik heb altijd mijn brood verdiend in de journalistiek en de uitgeverij. Maar daarnaast van alles geschreven en georganiseerd op letterengebied. Het idee voor Hollands Diep, een intelligent, nieuwsgierig cultureel blad, komt oorspronkelijk ook uit mijn koker. Dat weet bijna niemand.

In Rotterdam zou trouwens een serieus, opiniërend stadsmagazine met een ruime uitstraling ook niet misstaan. De nieuwkomers moeten integreren, maar wij ook. Een stad heeft een voedingsbodem nodig om het geestelijk verkeer te stimuleren. Rotterdam had na de oorlog heel lang geen verhaal. Al zijn er altijd mensen geweest met visie, maar het werd niet gebundeld. De tijd is nu rijp om de stad een zetje te laten geven door een begaafde bladenmaker. Er is een groeiend zelfbewustzijn. Het is goed dat Aboutaleb de nieuwe burgemeester is geworden.

Ik voel me nauw met Rotterdam verbonden. In 2004 verscheen mijn tweede dichtbundel Vermiste stad, een cyclus Rotterdamse kwatrijnen. En vorig jaar de door mij en wijlen Martin Bril geredigeerde verzamelde gedichten van Cor Vaandrager Made in Rotterdam. Cor was de opvallendste schrijver van onze groep. Een Rotterdams fenomeen. Helaas de enige die niet meer leeft. En het is hartverwarmend om te zien hoe levend zijn poëzie is gebleven. Ook voor de huidige generatie.

Waar ben je nu mee bezig?

Ik heb onlangs een essay geschreven over Hans Verhagen voor een special van Passionate, naar aanleiding van de P.C. Hooftprijs die hem werd toegekend. Nu werk ik aan mijn eigen memoires. En aan de biografie van Jan Cremer. Ik heb altijd respect gehad voor iedereen die kan schrijven en die dat ook doet.


Willemsbrug, mei 40

Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
Weer zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.

Bombardement

De Junkers hebben zich niet vergist.
Eeuwen moesten worden uitgewist
o
pdat, waar arme wijken stonden,
Kil geld jaagt op de onheilsgronden.

Bron foto hierboven: Google Streetview.
Bron kopfoto: Wikipedia.

Hansje De Reuver :
Fantastisch stuk Jana, fijn dat dat alsnog gepubliceerd is.

zondag 09 jun 2019

chris ripken :
mooi om dit interview te mogen lezen Jana! Dank voor het plaatsen.

vrijdag 07 jun 2019

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Loopbaan


Rutte, onze grote premier in het klein,

wil niet zijn hele leven onze premier zijn.

Hij wil weg, hogerop,

naar de echte hoge top.


Ik laat zien: ‘Ik ben een ferme knaap.

Van mij komt heus geen broodje aap.

Vastberaden koers ik naar mijn nieuwe stek.

Ik heb een probleem. Er is geen plek.’


Geert-Jan Laan


  • Nieuw

  • Reacties