Houden van film: Agnès Varda

7966-houden-van-film-agn-s-varda (Door Ronald Glasbergen)


Filmmaakster Agnès Varda overleed vrijdag 29 maart. Ze zou in mei 91 jaar oud geworden zijn. Haar indrukwekkende ‘La Pointe-Court’ stamt uit 1955. Haar ‘Faces Places’ uit 2017 was genomineerd voor een Oscar en won in Cannes de Oeil d'Or voor beste documentaire. Later dat jaar was ze de eerste vrouwelijke regisseur die een ere-Oscar ontving. Het oeuvre van de op dat moment 89 jaar oude regisseuse omvatte meer dan vijftig films en was nog niet voltooid.


Agnès Varda is geboren in het Brusselse Ixelles op 30 mei 1928. Ze kreeg de voornaam Arlette. Haar vader was een Griek, haar moeder Francaise. In 1940 vlucht het gezin voor de oorlog van mei 1940 naar Séte, een vissersplaats aan de Middellandse Zee. Na haar middelbare school aldaar gaat ze studeren in Parijs. Ze noemt zich vanaf dan Agnès en volgt college aan de Sorbonne, daarna aan de École du Louvre. Ze houdt van schilderkunst, maar fotografie is haar eerste passie. Vanaf 1949 is ze fotograaf voor Théâtre National Populaire. Daar leert ze Philippe Noiret en Silvia Montfort kennen, die later hoofdrollen zullen spelen in haar eerste speelfilm.

Vanaf 1951 woont ze in Rue Daguerre in het 14e arrondissement van Parijs. Die straat zal meer dan een halve eeuw haar biotoop blijven. ‘Daguerréotypes’ uit 1974 is er opgenomen waarin ze mensen in haar wijk portretteert.

Bron foto: Agnes Varda in 2018 in Havard (Foto: Puchku / Wikimedia Commons)

Voor haar eerste speelfilm uit 1955 ging ze terug naar Séte. De film is genoemd naar het havenwijkje Pointe-Courte van de stad. In 'La Pointe-Courte' lopen twee geschiedenissen door elkaar: die van de vrijgevochten havenbewoners in strijd met de autoriteiten en die van de lastig verenigbare liefde van een man uit Séte en een vrouw uit Parijs. De film wordt gemonteerd door filmmaker Alain Resnais en oogt mede door het heldere beeld, gefotografeerd in 35 mm zwart-wit film, fris of hij gisteren gemaakt is. Dat komt ook door haar fotografisch gevoel voor mensen in relatie tot hun natuurlijke omgeving. En doordat de verhaallijn met de havenbewoners semi-documentair is, in tegenstelling tot de verhaallijn met de liefdesgeschiedenis, gespeeld door de geschoolde acteurs Noiret en Montfort. Dat mengsel van fictie en documentaire zal deel blijven uitmaken van haar persoonlijke visie op de cinematografie. Daarin wijkt ze af, zoals ze is blijven doen, van de latere Nouvelle Vague, waarvan ze als een van de wegbereiders wordt gezien.

In 1958 ontmoet ze de liefde van haar leven, cineast Jaques Demy. In 1959 treden ze in het huwelijk. Varda, experimenteel realistisch en Demy, bewonderaar van Hollywood-musicals, lijken met enerzijds realisme anderzijds bij uitstek geënsceneerde beelden, tegengestelden van elkaar. Formeel zijn het verschillende werelden, maar in hun humanisme raken ze elkaar en op persoonlijk creatief gebied zullen ze elkaars muze zijn.

Jaques Demy, die sinds 1950 filmt, begint na 1958 aan een reeks musicals op speelfilmformaat. Varda heeft een nog hogere productie waarin, karakteristiek voor haar, documentaire en fictie elkaar afwisselen en soms in elkaar overlopen. Intussen staan de schijnwerpers van de internationale aandacht vooral gericht op de Franse Nouvelle Vague. Die verovert onder aanvoering van Truffaut, Godard, Chabrol, Roehmer, Europa en later de wereld. Filmers als Resnais, Varda en Demy verkeren iets meer in de periferie van die los vaste beweging van filmvrienden. Jaques Demy wordt in 1964 wereldberoemd met 'Parapluies de Cherbourg'. Een tiental films later volgt misschien wel zijn allerbeste film, de geëngageerde musical ‘Un chambre en ville' (1982).

AgnèsVarda maakt in 1962 haar tweede speelfilm 'Cléo de 5 à 7'. De film speelt voor een groot deel op de drukke Parijse straat in de buurt van ‘haar’ Rue Daguerre. Er gebeurt soms zoveel in de beelden en in de tekst dat je vergeet dat je naar een speelfilm kijkt. Ook met de tijd gebeurt iets bijzonders, een criticus noemde haar daarom, met verwijzing naar de roman ‘Mrs. Dalloway’, de Virginia Woolf van de cinema. In 1963 gaat Varda naar Cuba en filmt er het materiaal voor de documentaire ‘Salut les Cubains’. De jaren daarop maakt ze onder meer de speelfilms ‘Le Bonheur’ en ‘Les Créatures’ (1966) met de grote acteurs van die tijd Catherine Deneuve en Michel Piccoli. Van 1967 tot 1969 wonen zij en haar man in Los Angeles. Varda duikt in de Amerikaanse substantie met twee korte documentaires en de geïmproviseerde fictiefilm ‘Lions Love’ (1969).

In 1972 wordt hun zoon Mathieu Demy geboren en adopteert Jaques Demy officieel Rosalie, de dochter van Agnès Varda uit 1958. Achttien jaar later, in 1990, als Jaques Demy al ziek is, werkt Varda aan haar film ‘Jaquot de Nantes’ over Jaques Demy. De film wordt een jaar na Demy’s overlijden uitgebracht. Ze zal in de jaren daarna nog twee documentaires over hem maken.

Jaques Demy was niet alleen haar man maar vertegenwoordigde voor haar ook de cinema op zijn best. Houden van film, betekende in haar eigen woorden, ook houden van Jaques Demy.

Al vroeg werd ze met haar ‘La Pointe-Courte’ uit 1955 gesignaleerd als voorloper van de Nouvelle Vague. Truffaut's 'Les Quatre Cent Coups' en Godard's 'À Bout de Soufle' komen uit respectievelijk 1959 en 1960. In 2017 dus kreeg ze die reeks filmonderscheidingen: nominatie, eerste prijs, een Oscar en roem in brede kringen.

Tussen 1955 en 2019 maakt ze zo’n 55 lange en korte films. In een tempo van bijna één film per jaar. Onder meer ‘Sans toit ni loi’ (1985) over de avonturen van jonge zwerfster en ‘Les Glaneurs et la Glaneuse’(2000), over mensen die de na de oogst achtergebleven resten van het land rapen.

De ‘Glaneuse’ uit de titel is – met enige zelfspot – Agnes Varda zelf. Ze benoemt zich als de filmmaakster die op haar beurt de visuele resten van anderen verzamelt en er films van maakt. Ze doet dat met een mengsel van experimentele fictie, al dan niet geënsceneerde documentaire en met de nodige zelfreflectie. Dat houdt nu, door de dood gedwongen, op.

Achter blijven een oeuvre – en een leven – waarin veel valt te ontdekken. Dat zie je ook in haar laatste autobiografische documentaire ‘Varda par Agnès – Causerie’, uit 2019 die onlangs op Arte uitgezonden is.

Op de foto: Agnes Varda 90 jaar op de Ber,inale dit jaar, 2019. (Foto Martin Kraft / Wikimedia Commons)

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De sloopkogels van de Internationale

(door Kees Versteeg)


De brand in de Notre-Dame deed me ineens terugdenken aan de Koninginnekerk. Gesloopt in 1971. Hij stond aan de Boezemsingel in Crooswijk. In de verkiezing Mooiste Gesloopte Kerk kwam de Koninginnekerk als winnaar uit de bus.


D
e brand in de Notre-Dame is een ongeluk. Binnen een dag is 700 miljoen euro verzameld voor de wederopbouw. De sloop van de Koninginnekerk was daarentegen een geplande politieke misdaad.

De toenmalige PvdA-burgemeester Thomassen was een warm voorstander van de sloop. Er moest op die plek een niet-confessioneel bejaardenhuis komen. De sloop van de kerk riep in 1971 veel verzet op. Tegenstanders zeiden: ‘Wat de nazi’s lieten staan, dat gaat er nu wel aan.’

De linkse raad won. De sloop werd doorgezet. Er hangt een portret van Thomassen en zijn vrouw An in het Rijksmuseum. Misschien is de tijd nu rijp om er een bordje bij te zetten.

Met de tekst: ‘In de tijd dat Thomassen burgemeester was van Rotterdam, ontwikkelde de stad zich tot wereldhaven nummer één. Daarnaast was Thomassen ook een kopstuk in de politieke misdaad. Op de plaats waar ooit de Koninginnekerk stond, verhief hij Judas tot bouwmeester en noemde dat verheffing van het volk.’




  • Nieuw

  • Reacties