Die Rheinreise

8104-die-rheinreise

(door Manuel Kneepkens)

Poetry International vierde onlangs zijn gouden jubileum. Ter gelegenheid daarvan bracht de scheidend directeur Bas Kwakman het boek ‘In poëzie & oorlog, vijftig jaar Poetry International’ uit. Helaas typisch een geval van de slager die zijn eigen vlees keurt. Terwijl hij over zijn eigen periode in de meest ronkende zinnen schrijft, boort hij de eerste directeur van het Festival, Martin Mooij, meedogenloos de grond in als dat ‘boekhoudertje’.


Feit is echter dat Poetry onder het directeurschap van Mooij, zeker wat de eerste 15 afleveringen betreft, bloeide, wat niet kan worden gezegd van de laatste zestien afleveringen onder directeur Kwakman. Het Poetry is niet in het minst dankzij hem een steeds meer kwakkelend bestaan gaan leiden. Kwakkelman. Nomen omen est.

Ook niet onbelangrijk: in tegenstelling tot Kwakman, die eigenlijk alleen maar met zijn eigen glorie bezig is geweest, deed Martin Mooij in zijn tijd nog wel eens iets voor Nederlandse schrijvers. Met name het organiseren, al dan niet in groepsverband, van reizen naar het buitenland, lees: Duitsland. Martin had een Duitsland-tic.

Zo was daar, zomer 1984, die Rheinreise. Dichters uit de landen, waar de rivier de Rijn door stroomt, waren aan boord geïnviteerd van het Rijncruiseschip Deutschland, voor die gelegenheid omgedoopt tot Das Narrenschiff.

De tocht had als startpunt Bazel, waar Erasmus overleden is, met als eindpunt: Rotterdam, de geboorteplaats van Erasmus.

De Nederlandse delegatie was te onderscheiden in de Rotterdamse en de Amsterdamse. De Rotterdamse bestond uit het echtpaar Buddingh’: Cees en Stien, arbeidersdichter Wim de Vries ‘de pijpfitter uit Puttershoek’, Jan Eijkelboom, Bob den Uyl en …mijzelf.

De Ámsterdamse delegatie bestond uit Harry Mulisch, Remco Campert, Cees Nooteboom, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek en Bernlef.

Adriaan van Dis was mee als journalist. En Nico Haasbroek idem dito

Verder waren nog van de partij Louis Ferron uit Haarlem en Wiel Kusters uit Maastricht.

Om uit Bazel te kunnen vertrekken, moesten we er natuurlijk eerst naartoe. Dat ging per trein. Ik stapte in Rotterdam in. De anderen zouden in Dordrecht in stappen. Eigenlijk was die Rotterdamse delegatie in hoge mate een Dordtse.

Toen ik de coupé gevonden had waar de Dordtenaren zich genesteld hadden, bleek dat Jan Eijkelboom niet was komen opdagen. Deze Heelalcoholicus had de avond daarvoor een van zijn beruchte door- het- lint-gaan-avonden gehad. Zodoende. Bob den Uyl zwierf op dat moment al door Duitsland en zou op eigen gelegenheid naar Bazel komen.

Zo zaten we dan met z’n vieren in die Internationale trein naar Bazel. Ouderwets genoeglijk. Cees rookte een pijpje en Stientje breide een rompertje voor een of ander kleinkind. Het was net alsof Wim en ik twee middelbare scholieren waren op bezoek bij de Buddingh’s in de Bankastraat in Dordrecht om de Grote Gemoedelijke te interviewen voor de schoolkrant. Zo zaten we daar. Stientje vertelde dat Cees en zij, na de Oorlog, nooit meer naar Duitsland waren gegaan. De weerzin tegen de Moffen, pardon de Duitsers, om wat zij ons hadden aangedaan, was te groot.

Gingen de Buddingh’s naar Italië, hun geliefde vakantiebestemming, dan maakten zij een omweg door België, Frankrijk en Zwitserland. Ook Wim de Vries had het niet op Moffrika. Hij was er in de Oorlog dwangarbeider geweest.

Daar zaten we dan, terwijl buiten het schuldige landschap – om met Armando te spreken – voorbij zoefde. Plotseling zei Cees tegen ons : ‘Jongens, als jullie Stientje nou eens meenamen naar de restauratiewagen voor een kop koffie en een Torte mit Slagszahne. Daar houdt ze van!’ Waarop Stientje zei: ‘Maar Cees, waarom ga jezelf niet mee?’ ‘Stientje, ik voel een gedicht bij mij opkomen…’

Wij dus met Stientje naar de restauratiewagen. Waar wij behalve koffie inderdaad elk zo’n reusachtige Torte mit Zahne verorberden, het soort fout, al te calorierijk gebak, waar ze bij onze oosterburen het patent op hebben. En waarvan wij al consumerend in een soort van uitgelaten vakantiestemming geraakten. Duitsland werd gaandeweg al heel wat minder Duitsland…

Bij onze terugkomst moffelde Cees gauw iets weg. Maar het was te laat. Stientje had het gezien. En wij ook. Een heupflacon met whisky! Het was op dat moment elf uur in de ochtend. Dorstrecht herbergde, zo bleek nu, behalve Jan Eijkelboom nog een eminente Heelalcoholicus. ‘Maar Cees,’ zei Stientje : ‘Je mag van de dokter helemaal geen alcohol meer. En nu zit je om elf uur ’s ochtends aan de whisky!’ Cees zei niets, maar keek schuldig naar buiten naar het schuldige landschap. Driekwart jaar later was Cees overleden.

Eenmaal in Bazel aan boord van de Deutschland, werden we culinair enorm in de watten gelegd. Iedere ochtend was er een reusachtig ontbijt. Middagmaal en

avondmaal werden bovendien rijkelijk met drank besprenkeld. Dichters zijn Heelalcoholici, zoals gezegd. Dus dat beviel, goed, al te goed. Bovendien werd tussendoor van elke Wijnberg die de boot passeerde de Spätleze te proeven aangeboden. Ik kan me niet herinneren ooit zo continu in de lorum te zijn geweest als op die Rijnreis.

Ik herinner me ook dat Remco Campert geheel roze was aangelopen. Naar zijn eigen mening omdat hij te lang aan het dek in de zon gezeten had. Nee, Remco, dichtte een van zijn collega’s toen, dat komt ...omdat jij een zuipschuit bent / op een zuipschuit … Af en toe legde de Deutschland aan bij een Rijnstad en moest er opgetreden worden. Eenmaal werden wij geacht bovendien zelf voor ons avondeten te zorgen. Dat was in Mainz.

Harry Mulisch functioneerde als ‘leider’ van de groep. De Olympiër was zeer met mij ingenomen. Het was in de tijd van de kruisrakettenkwestie. Ik had in de Volkskrant de stelling ingenomen – niet in mijn dichterlijke, maar in mijn andere hoedanigheid, die van jurist – dat kruisraketten oorlogsrechtelijk bezien verboden wapens zijn. Mulisch, mordicus tegen plaatsing van de kruisraketten, had dat artikel gelezen. Ik kon geen kwaad bij hem doen.

Meestal ontbeet ik ’s ochtends aan het Rotterdammer tafeltje. Dus met de beide Buddingh’s, Wim de Vries en, uiteraard, Bob den Uyl, eigenlijk de enige ‘echte’ Rotterdammer onder ons. Bob bleek geobsedeerd door Mulisch. Hij hield het Amsterdammer tafeltje goed in de gaten. ‘Kijk, hij neemt zijn pijp uit zijn mond. Nu gaat Hij Spreken! De Olympiër, zo noemen die grachtengordeltypes hem. En dat laat Hij zich aanleunen!’

Die avond in Mainz verkeerde ik in het gezelschap van Mulisch, Ferron en Adriaan van Dis. De laatste bleek voor ons een tafeltje gereserveerd te hebben in een werkelijk overvol Balkanrestaurant. Terwijl wij daar aan het voorgerecht zaten, kwam plots Bob den Uyl het restaurant binnenvallen. Hij zag ons. En verstijfde! Mulisch!

Hij keek duidelijk rond of hij niet ergens anders kon gaan zitten. Maar, nee, het restaurant was werkelijk stampvol. Dus moest Bob wel bij ons aan tafel.

De Heren van Dis, Mulisch en Ferron knikten hem vriendelijk toe, maar gingen vervolgens rustig verder met hun Exclusieve Herengesprek. Bob had dus alleen mij. Het gesprek van de Heren terzijde van ons ging uiteraard over …Duitsland, waarover anders? Nazi-Duitsland. Duitsland in het Europa van nu, etc. Niet zo verwonderlijk. Zowel bij Ferron als bij Mulisch, beiden nu zaliger gedachtenis, behoort Duitsland tot de kern van hun schrijverschap. Van Dis, met zijn Indische achtergrond, was daarvan gespeend. Dus na een tijdje richtte Heer Adriaan zich op ons gesprek. Maar ook dat gesprek was niet voor de poes. Hoewel, eigenlijk juist wel!

‘Moortje is overleden, onze kat’ … zei Bob. Hij had die middag naar huis gebeld, en toen was hem dit droeve nieuws meegedeeld. Hij zag er ontdaan uit. Hij had ook gedronken. Aangenaam gezelschap was Bob sowieso niet, als hij had gedronken, en nu dus al helemaal niet. Het was een en al Katzenjammer.

De boot zou stipt om tien uur vertrekken. Het was inmiddels half tien, we moesten er nog naar toe lopen, en bovendien afrekenen. De ober kwam met de rekening. Het was, als we naar boven af zouden ronden voor de fooi, 300 mark.

‘Mooi,’ zei Mulisch ‘dat is dan voor ieder van ons 60 mark…’ ‘Nee,’ zei Bob ‘ik heb veel minder gegeten dan jullie!’

Hij pakte de rekening en begon minutieus uit te tellen, hoeveel iedereen, en met name hijzelf, precies bijdragen moest. Het was duidelijk, dat wij in dat barstensvolle restaurant met niets dan gejaagde, half overspannen obers, ons geen langdurige discussie over de rekening konden permitteren. De tijd drong! Weer nam Mulisch doodbedaard zijn pijp uit zijn mond en zei: ‘Maar, Bob, dan bewandelen wij toch de Koninklijke Weg. Dan houden wij je toch vrij! Dan betalen wij anderen, ieder van ons 75 mark.’ Zo gezegd, zo gedaan.

Op de terugweg naar de boot liep ik naast Mulisch en Ferron. Bij de Olympiër verliet weer eens de pijp de omheining zijner tanden. ‘Heeft die Bob iets tegen mij?’ vroeg Harry. En Louis Ferron – God hebbe zijn ziel – met de nodige Haarlemmer Olie in zijn stem, antwoordde: ‘Harry, jij bent een Olympiër! En Bob is maar een eenvoudige Rotterdamse volksjongen. Die kijkt hoog tegen je op. Maar eigenlijk mag hij dat niet van zichzelf, begrijp je?’

‘Tja, dat moet het wel zijn,’ zei Harry, en stak zijn pijp terug in zijn mond. Ik besloot deze twee Heren even alleen te laten en keerde mij om naar ‘de Rotterdamse Volksjongen’ die een twintig tal meter achter ons liep.

Bob, tot mijn verbazing, juichte! ‘Hij heeft voor mij betaald! Hij heeft voor mij betaald!’

Aldus was in Mainz, Juni 1984, de overwinning van 010 op 020.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Loopbaan


Rutte, onze grote premier in het klein,

wil niet zijn hele leven onze premier zijn.

Hij wil weg, hogerop,

naar de echte hoge top.


Ik laat zien: ‘Ik ben een ferme knaap.

Van mij komt heus geen broodje aap.

Vastberaden koers ik naar mijn nieuwe stek.

Ik heb een probleem. Er is geen plek.’


Geert-Jan Laan


  • Nieuw

  • Reacties