De razzia ontsnapt

7668-de-razzia-ontsnapt (Door Jim Postma)

Het bevel van de Duitse Wehrmacht hing in vluchtschriften op zowat alle Rotterdamse hoeken en straten: ‘Alle mannen in de leeftijd van zeventien tot en met 40 jaar moesten zich melden voor de ‘Arbeidsinzet’. Voor de meesten betekende dit op transport naar Duitsland, alleen wisten velen van de betrokkenen dit nog niet. Het grijze pamflet met inktzwarte letters eindigde met: ‘Op hen, die pogen te ontvluchten of weerstand te bieden, zal worden geschoten.’

En daar stond hij dan met zijn twee meter lengte en met zijn armen in de lucht in totaal 2,5 meter lang letterlijk voor paal. Tegen een lantaarnpaal aan met drie geweren op hem gericht. Met daarachter drie grimmige Duitse soldaten. De kalender wees op die dag 15 november 1944 aan. Reeds enkele dagen nadat de razzia in Rotterdam op 11 november officieel was begonnen. Mijn oude heer Teunis Wietze Postma (toen 27 jaar oud) was als een van de weinigen wel op de vlucht geslagen. Nu, voor dit ‘vuurpeloton’, dacht hij dat zijn laatste uur geslagen had.


Maar de ‘voorzienigheid’ bleek hem voorlopig genadig. Anders had ik zijn verhaal nooit hier kunnen navertellen. Nu, dus achteraf gelukkig , kon hij lullen als brugman. In zijn beste Duits bracht hij het er toen stamelend uit: ‘Aber meine arme mutter, meine arme mutter, dort, is sehr krank!...’’

Hij was inderdaad op een steenworp afstand verwijderd van het huisadres van zijn moeder: Nel Postma in de Grondherenstraat 56 in Charlois, recht tegenover de Waalhaven.

In werkelijkheid was hij vanuit zijn woonhuis in de Verboomstraat, eveneens in Rotterdam-Zuid, in de duisternis gevlucht. Via sluiproutes door tuinen en heggen. Hij wilde zich gaan verschuilen op een zolderkamertje bij zijn moeder. Met als voornaamste motief dat mijn moeder Maria Catherina reeds maandenlang zwanger was van mijn oudste broer. En dat hij haar niet in de steek wilde laten in die donkere bange dagen.

Alles potdicht
Dagen daarvoor waren middels zo’n acht duizend Duitse soldaten haast alle belangrijke straten, bruggen en tunnels in de stad grondig afgesloten. Of zoals een van de betrokken jongemannen het later als ooggetuige verwoordde: ‘Om 9 uur werd er geschreeuwd via luidsprekers, dat we naar buiten moesten komen. Op de straat ontmoette ik toen al de jongeren uit de buurt. Nergens een oudere burger te zien. Alles potdicht en op slot. Overal soldaten. Overal mitrailleurs, met manschappen, die ook handgranaten bij zich hadden.’

Tijdens mijn vaders pleidooi voor zijn leven ging een van de Duitse soldaten controleren of het aangegeven adres inderdaad van zijn moeder was. Zodoende redde hij zich van een waarschijnlijke wisse dood via zijn briljante leugentje voor bestwil’. In plaats van de kogel werd hij nu onmiddellijk afgevoerd naar de rijnaken. Enkele lagen daar nog te wachten in de Waalhaven voor het zoveelste mensentransport naar nazi-Duitsland.

In de schepen zaten op dat moment nog duizenden andere Rotterdammers. Enkele uren later werd het sein voor de afvaart gegeven. Met enkele honderden huilende en krijsende vrouwen aan de kaden. ‘Van het al reeds weinige voedsel gooiden zij hun mannen pakjes brood na. De meesten daarvan kwamen in het water terecht’, aldus het naoorlogse verslag van mijn vader. Met nog de beruchte Rotterdamse Hongerwinter in aantocht.

Tweede poging
Maar inmiddels terug in die tijd, voer zijn schip als eerste tussenstop richting Amsterdam. Intussen zat mijn oude heer daar te broeden op een tweede ontsnappingspoging. Hij wilde zich in eerste instantie overboord laten vallen. Maar het snel stromende ijskoude water, zijn lange dikke winterjas en zijn ‘zware dienstkistjes’ maat 54, verhinderde die spontane gedachte. Het werd een tijdelijk uitstel. ‘Want’, zo had hij zich stellig voorgenomen, ‘mijn kans komt nog wel.’

En inderdaad toen de schuit eenmaal tijdelijk lag afgemeerd in de Amsterdamse haven gooide hij zich als een geboren acteur met zijn kop en al tegen een metalen scheepsbalk. Met bloed en schaafwonden aan zijn voorhoofd begon hij als een waanzinnige te schreeuwen en te keer te gaan. Oorverdovend over de hele rijnhaak heen. De Duitsers trapten er in. ‘Der man ist krank’, zo kwam de bevelvoerende tot de conclusie. Een ambulance kwam ter plekke en gelegen op een brancard werd hij van boord gehesen.

Aangekomen in het Amsterdamse Lieve Vrouwen Gasthuis kon hij de tegemoetgekomen doktoren direct geruststellen met de woorden: ‘Er is met mij niets aan de hand. Maar ga onmiddellijk heel Amsterdam waarschuwen dat Rotterdam door de Duitsers is leeggehaald.’

52.000
Uit de latere geschiedenis bleek dat het overgrote gedeelte van de 70.000 Rotterdamse mannen tussen de 17 en 40 jaar er in totaal zo’n 52.000 werden afgevoerd. Ruim 400 van hen kwamen daarbij later in Duitsland om het leven. Voornamelijk als gevolg van geallieerde bombardementen. Waaronder de twee broers van mijn moeder, Jan en Frans.

Terug en amper in het ziekenhuis als ‘voortvluchtige’ opgenomen viel mijn oude heer direct met zijn neus in de boter. Door stroomstoringen waren de ijskasten uitgevallen en sinds ‘mens en heugenis’ werd hij getrakteerd met een gebraden kippetje (!) op zijn bord. Watertandend maakte hij die in enkele gulzige happen soldaat. Vervolgens werd zijn hoofd als een tulband omwikkeld met witte verbanden en een van zijn armen in het gips gezet. Zo stapte hij de drukke tram in naar de rand van de stad, waarbij hij als ‘invalide’ meteen een zitplaats kreeg.

Daarna ging hij te voet met zijn zware schoenen en al de 75 kilometer teruglopen naar zijn woonhuis in de Verboomstraat. Mijn moeder kon bij zijn totaal onverwachte aangezicht haar ogen niet geloven. Er volgde een onvermijdelijke tranendal van hereniging. Toch waren zij bang dat buren hem hadden zien thuiskomen. Met daarbij de angst dat zij Teunis Wietze alsnog aan de Duitsers zouden gaan ‘verraden’ . Wijselijk dook mijn vader nu onder in de kelder in het kolenhok. Wekenlang. Gekropen onder jutekolenzakken met zijn gezicht en handen roetzwart geschminkt.

Daar waren de huidige Zwarte Pieten nog helemaal niks bij.

Foto hierboven: Mijn vader Teunis Wietze Postma 23 april 1917 – 9 april 1993, de razzia van 1944 ontsnapt.


Arie C. Torcque Zaanen :
Mooi verhaal Jim, zou zomaar uit de Eeuw van m'n vader kunnen zijn, maar ja dat is van Hermen Fikkert (geloof ik) Mijn Vader zaliger, speelde het op zijn manier, Met een stuk hout als kruk liep hij uit de rij weg, groetend aan z'n maten, dag Joop, Herman hou je taai, Piet doe je best daar, enz,..enz,.. tja later is hij och opgepakt en moet hij op Goeree op het land gaan werken, waar hij veel vrienden aan heeft overgehouden.

dinsdag 20 nov 2018

Jana Beranová :
Mondeling verteld kende ik het verhaal. Het is hier schitterend opgeschreven en met afbeeldingen verlucht. Een stukje geschiedenis dat niet verloren mag gaan. Bedankt.

vrijdag 16 nov 2018

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

Over de schrijver

Jim Postma

Jim Postma (Rotterdam, 29-02-1948) is samen met Geert-Jan Laan in 2008 de papieren weekkrant Rotterdam Vandaag & Morgen begonnen, later gevolgd door deze elektronische krant.

Beide initiatiefnemers werkten daarvoor jarenlang als onderzoeksjournalisten bij de toenmalige dagkrant Het Vrije Volk.

Jim Postma werd in die tijd ook bekend van zijn dagelijkse rubriek ‘Stukgoed’, over de kleine dingen in het leven, die voor velen toch bijzonder belangrijk zijn. Zoals ‘normen en waarden’.

In dit kader onderscheidt hij zich de laatste paar jaar in weekkranten als columnist en recensent in het Rotterdamse kunstwereldje.

Ooit begon hij in 1965 als jong journalist bij de dagkrant De Rotterdammer en vertrok daarna voor zeven jaar naar Afrika als correspondent, onder meer voor Radio 1 en 2.

In de negentiger jaren, na het verlaten van het gefuseerde Het Vrije Volk begon Jim Postma met het maken van televisiedocumentaires. Een hele bekende, die hij samen maakte met fotograaf/filmer Paul Stolk, werd ‘Een rustige Jaarwisseling’ voor de NOS/NOB. (Waarderingscijfer 8.2 en met 2.4 miljoen kijkers).

Hieruit volgde de campagne voor jonge vuurwerkslachtoffers, ‘Je bent een rund als je met vuurwerk stunt’. Dit leidde in die tijd tot aanzienlijk minder slachtoffers.

Andere televisiedocumentaires van Jim Postma, onder meer gemaakt in Afrika en in Mongolië, werden uitgezonden via de VARA, EO, AVRO/TROS, de BRT en CNN.

KOPSTOOT

Trouwringen bij caféruzie

(Door Jim Postma)

Tijdens mijn inmiddels duizenden cafébezoeken in deze stad maakte ik heel wat caféruzies mee. Koning Alcohol was en is daarin meestal de boosdoener. Zo was ik ooit getuige dat in ons bekend café ‘De Schouw’ aan de Witte de Withstraat een barbaarse ruzie ontstond over een gokautomaat. Een toen nog jonge collega van mij, Piet Koster van Het Vrije Volk, werd in het conflict door een brute dronkenman neergeslagen. Met een bloedend gezicht lag hij op de grond.

Pas later bleek dat die lafhartige klap (onze Piet kon zich amper of niet verdedigen) zijn grootste geluk ter wereld werd. Op de gokkast zelf won hij namelijk - zoals zo velen - amper wat of niets. Toen hij op dat moment uitgestrekt lag, ontfermde zich een onbekende schone jonge dame over hem. Zij hielp hem overeind en verzorgde zijn wonden. Het werd liefde op het eerste gezicht. Piet en Vera trouwden later met elkaar, kregen kinderen en het werd tot in de lengte van dagen één groot stralend huwelijk…

Na die gemene rot klap heeft Piet overigens nooit meer op een gokkast gespeeld. Zo wijs was hij wel. Liefde en geluk zijn namelijk nooit te winnen op zo’n duivelse, vaak verslavende, kast. Inmiddels is mijn goede collega van destijds, dus Piet Koster, al weer enkele jaren geleden overleden.

Kemphanen
Recent was ik weer getuige, nu in café Centraal aan de Zwartjanstraat, van zo’n onbenullige caféruzie. Toevallig zat ik met mijn barkruk tussen de twee kemphanen in. Het ging om een gepensioneerde zwaarlijvige slager en een gesjeesde filosoof met een grote grijze bromsnor. De aanleiding van de barruzie was de leesbril van de overigens homofiele slager. Vervolgens gingen zij elkaar uitmaken voor ‘rotte vis’, zoals je ziet in de strips van Astrix en Obelix.

In hun scheldkanonnade werd zelfs God meerdere malen vervloekt. Totdat barkeepster Yvonne de boel probeerde te sussen door te zeggen: ‘God bestaat helemaal niet!’

De beide kemphanen werd hierdoor even de mond gesnoerd. Toen zei Yvonne: ‘God zit in jezelf..’ De filosoof dacht even na en zei toen aarzelend: ‘O, Die zit dus in je hersenen.’

Waarop de slager opnieuw begon met: ‘Dan zit Die zeker niet in jou. Want jij hebt helemaal geen hersenen!’

Nu ontplofte de filosoof tegen de slager, met: ‘Weet je wat jij bent hè. Een vuile vieze ruige varkenspoot.’

Op dat moment stond ‘Ruud de glazenwasser’ op. Een krachtpatser met het figuur van Jerommeke uit Suske en Wiske.

Onderweg naar de café-uitgang sprak hij vredelievend met zijn bekende gulle lach:

‘Heren, heren toch! Ben zo weer terug. Ik ga even twee trouwringen voor jullie halen!’


  • Nieuw

  • Reacties