Drama achter boekje ‘Onbestelbaar’ (1)

7218-drama-achter-boekje-onbestelbaar-1 (Door Gert van Engelen)


Het ware drama achter een paar zinnen in een Rotterdamse herdenkingsboekje

Deel 1


Ies Lipschits ontvoerde zijn broertje Alex ijskoud van Zeeland naar Israël

Tien jaar geleden, in januari 2008, werd in heel Rotterdam gratis een dun boekje verspreid, getiteld Onbestelbaar, ‘herinneringen in briefvorm aan de Jodenvervolging in Rotterdam’. Isaac Lipschits, in Rotterdam geboren en opgegroeid in de Agniesestraat op nummer 59b, vertelt hierin in een brief aan zijn moeder wat er met hem en de rest van de familie is gebeurd.


Zijn moeder Grietje heeft de brief nooit ontvangen: zij is vermoord in het vergassingskamp Auschwitz. Ook Isaac’s vader Sander, zijn drie broers Jacob, Levie en Maurits en zijn zus Rebecca zijn door de Duitsers vernietigd, op verschillende tijdstippen. Alleen hij en zijn broer Alex hebben de oorlog weten te doorstaan. Over dit alles praat hij zijn moeder bij. De brief is een denkbeeldige; de brief was bij voorbaat onbestelbaar.

In het boekje, uitgedeeld ter gelegenheid van de Holocaust Memorial Dag en de Auschwitz Herdenking op 27 januari, betuigt Isaac (‘Ies’) Lipschits spijt. Op bladzijde 48 vertelt hij zijn moeder dat hij na de oorlog in een driftige bui in Zeeland Alex heeft ontvoerd. Isaac was toen zeventien, Alex negen. Zestig jaar later heeft hij daar verdriet van. “Het was onverantwoordelijk en onbesuisd van mij”, schrijft hij, de onderduikouders van Alex hebben dit niet verdiend.

Dit is alles wat Isaac Lipschits over de kidnapping meldt. Kort na deze openbare boetedoening overlijdt hij, in mei 2008.

Achter die paar zinnetjes in het gedenkboekje gaat een groot, joods drama schuil, dat zich deels in Rotterdam, deels op Schouwen-Duiveland afspeelt. In de aanloop naar de aanstaande herdenkingen in mei wordt in dit verhaal ontvouwd wat Isaac Lipschits, het Rotterdamse jongetje dat uitgroeide tot gerenommeerde hoogleraar, destijds toch bezielde. Een reconstructie van een intriest voorval, van een drieste wanhoopsdaad.

Foto 1: Het gezin Lipschits: vader Sander en moeder Grietje zitten vooraan, met bij moeder op schoot Alex en staand naast zijn vader Isaac (Ies). Daarachter staan hun kinderen Rebecca (Bep) en Jacob (Jaap) en schoonzoon Izak. Op de foto ontbreken de kinderen Maurits en Levie. (Foto ‘Joods Monument’)

Ze hadden hun uiterste best gedaan om Alex Lipschits, een joods jongetje uit Rotterdam, te behoeden voor de verschrikkingen van de oorlog, met gevaar voor eigen leven. En dat was gelukt. Gommert en Geertje Klompe uit Haamstede op Schouwen-Duiveland hadden het kind veilig en heelhuids door die grimmige tijd weten te loodsen.

Maar Ies, de oudere broer van Alex, zinde het niet. Hij merkte dat zijn broertje zich bijna naadloos voegde naar het milieu van zijn streng-gereformeerde pleegouders. Hij ging elke zondag naar de kerk, zat op catechisatie en bezocht dezelfde School met den Bijbel als de eigen kinderen van Gommert en Geertje.

“Dat sneed door mijn ziel”, vertelde Ies Lipschits later. “Dat mijn broertje christelijk zou worden, maakte de Shoa nóg zinlozer. Ik vond dat absoluut niet te verantwoorden tegenover onze vader en moeder.” Hij wilde − in de geest van zijn ouders, die bruut waren vergast in Auschwitz – dat Alex opgroeide in een joodse sfeer, in een joodse omgeving.

Boos en vastbesloten reisde hij op een dag in september 1948 naar de familie Klompe. Hij vroeg of hij een dagje met Alex naar Middelburg mocht. Dat werd hem toegestaan, en vervolgens keerden Ies en Alex nooit meer terug. De 17-jarige Ies Lipschits ontvoerde zijn 9-jarige broer gewoon, weg uit Zeeland. Via Putte, Brussel, Kortrijk, Parijs en Marseille belandden ze in Israël.

Hoogzwanger
Op 27 september 1916 trouwde lompenkoopman Sander Lipschits (Zutphen, 5.9.1891) met Grietje Grootkerk (5.2.1900), in Rotterdam, haar geboortestad. Ze was hoogzwanger, in feite stond ze op het punt om te bevallen. Vijf dagen later, op de 2de oktober, was het zover: hun eerste kind werd geboren, Levie Meijer Lipschits.Met onregelmatige tussenpozen kwamen er daarna nog vijf, één meisje en vier jongens: Rebecca (9.5.1918), Maurits (20.12.1920), Jacob (4.11.1926), Isaac (19.11.1930) en als nakomeling ten slotte Alex (22.6.1939).

Standwerker Sander Lipschits had een vaste plaats op de markt aan de Goudschesingel, tegenover het Boschje, zo valt te lezen op de website ‘Joods Monument’. Hij verkocht bananen, en was “een bekend figuur”. In 1933 riep het weekblad Groot Rotterdam hem uit tot ‘Koning der standwerkers’.

“Het was keihard werken voor weinig geld”, vertelde Ies Lipschits over het beroep van zijn vader, in een levensverhaal in De Groene Amsterdammer (van 25.2.1998). “Hij was een zenuwachtige man, mager als een lat. Moeder was veel rustiger. Ze was fors, gezet.”

De familie Lipschits woonde in de Agniesestraat op nummer 59b. “Dit was”, vermeldt de website ‘Joods Rotterdam’, “een kleine straat tussen de Noordsingel en de Schiekade, met veel joodse gezinnen. Het was geen straat met rijke gezinnen.” Ies beaamde dat: “We behoorden tot het subproletariaat.” Aan hun joodse afkomst hechtten ze niet zo. “We waren nauwelijks religieus. We aten niet volgens de spijswetten.”

Foto 2: Vader Sander op de omslag van het tijdschrift ‘Groot Rotterdam’. Hij verkocht als standwerker bananen op de markt van Rotterdam. Links van hem staat zijn zoon Maurits. (Foto ‘Joods Monument’)

Nazi’s
In Duitsland heersten de nazi’s al. Fanatiek en energiek ontnamen ze de joden hun bestaansrecht, in het hele land werden joodse gemeenschappen systematisch ontwricht. Toen de Duitsers ook Nederland binnen denderden, en de Rotterdamse binnenstad binnen een kwartier bijna volledig platbombardeerden, wist Sander Lipschits wel wat hem, en de andere joden in Nederland, te wachten stond.

Hij was ruim tevoren gewaarschuwd, door Piet van Maris, de communist die wekelijks bij hem het geld voor de begrafenisverzekering kwam ophalen. Ies Lipschits, in De Groene: “Oom Piet praatte veel over de nazi’s. Hij meende dat als Hitler Nederland zou bezetten, het slecht zou aflopen met de joden. Oom Piet had gelijk.”

De aanvoer van bananen stokte, nu Nederland was ingenomen. Sander Lipschits ging over op de verkoop van druiven, aldus ‘Joods Monument’. Dat was geen succes, “door de teerheid van deze vrucht”. Ook kon hij zijn grappen over bananen nu niet meer kwijt.

Langzaam, maar onstuitbaar rolden de Duitsers hun jodenhaat uit over Nederland. Met steeds meer verbodsmaatregelen werden ze ingesnoerd, ontmenselijkt, buitengesloten. Niet meer zwemmen, niet meer naar de gewone school, niet meer ’s avonds naar buiten of naar het park of naar de bioscoop, geen recht meer op een overheidsbaan. Sander Lipschits werd verbannen van de markt, en kwam daardoor in de zwarte handel terecht. “Hij moest zorgen dat zijn gezin te eten kreeg.”

Geschreeuw
De razzia’s begonnen, de joden werden bijeengeveegd om gedeporteerd te worden. Toen was de Agniesestraat aan de beurt, Ies Lipschits was er getuige van. “Op een afschuwelijke vrijdagavond werden de joden uit onze straat opgehaald. Het was al donker toen we geschreeuw op straat hoorden. Ik gluurde door de brievenbus. Toen heb ik gezien dat mijn boezemvriend Louis Swaab, die schuin tegenover ons woonde, achterin een grote met zeil overkapte vrachtwagen werd geholpen door een Nederlandse politieman. Ik heb Loetje nooit meer teruggezien.”

Sander Lipschits had de bagage klaarstaan in de gang. Hij stelde zijn gezin, met de kinderen die nog thuis woonden, op langs de muur in de gang, moeder Grietje met Alex op de arm, Jacob en Ies daarachter. Ze hadden de jassen aan en de rugzakken stonden aan de andere kant van de gang tegen de muur. “Waarom deed vader dat?”, zou Ies schrijven in het boekje Onbestelbaar. “Wilde hij de jodenophalers behulpzaam zijn? Wilde hij voorkomen dat de buren te veel last zouden hebben van ons onvrijwillig vertrek?”

Om een of andere reden belden de Duitsers niet aan. “Het zal wel altijd een raadsel blijven waarom niet.” De volgende dag doken ze onder. Vader en moeder trokken hun zondagse kleren aan, de kinderen kregen hun ‘nette kleren’. “Zo zijn we weggegaan. We mochten niets meenemen, geen boek, geen speelgoed, geen tas. Alles bleef in huis staan zoals het die avond ervoor gestaan had.”

Met z’n vijven verstopten ze zich in een bovenhuis aan de Schieweg, bij Piet van Maris, zijn vrouw Nel en hun dochter Annie.

Sander Lipschits voelde zich er ongelukkig. De onderduik maakte hem afhankelijk en onzeker. Hij had ook grote zorgen, over de gezinsleden die naar kamp Westerbork waren gestuurd: zijn dochter Rebecca, zijn zonen Maurits en Levi Meijer, een schoonzoon, een schoondochter en zijn enige kleindochter.

Het was bij Van Maris daarnaast “te chic, met al die mooie meubels, met zelfs een piano”. Ze leefden met z’n achten te veel op elkaar in dat huis dat typisch was ingericht op een echtpaar met één kind. Sander kon zijn kinderen steeds moeilijker rustig houden, Jaap wilde almaar naar buiten. Piet van Maris, die ook last kreeg van spanningen met zijn vrouw, nam op een dag een beslissing: het gezin Lipschits moest uit elkaar. Hij zou zelf voor andere onderduikadressen zorgen.

En zo komt Schouwen-Duiveland in beeld.

Foto 3: Dit is de nog altijd bestaande woning in de Agniesestraat, op nummer 59, waar de familie Lipschits tot in de oorlog woonde. (Foto: Gert van Engelen)

Platteland
Jaap Lipschits vertrok als eerste, naar Amsterdam. Ze zouden hem nooit meer terugzien.

Nu waren Alex en Ies aan de beurt. Oom Piet vond voor hen een onderduikgezin in de buurt van Haamstede, bij Gommert en Geertje Klompe, “een eenvoudig echtpaar met jonge kinderen; ze woonden op het platteland”.

Behalve in zijn eigen boekje Onbestelbaar heeft Ies Lipschits over de gebeurtenis, de overdracht, ook getuigenis afgelegd in het boek Herinnering aan Joods Amsterdam, dat in 1978 voor het eerst verscheen bij De Bezig Bij. Zevenenzeventig vertellers verhalen daarin over het vooroorlogse leven in de hoofdstad; Lipschits werd blijkbaar als Amsterdammer aangemerkt. De uitgave is samengesteld door Philo Bregstein en Salvador Bloemgarten, en beleefde in 1999 een vierde druk.

Nog een bron die is geraadpleegd voor deze reconstructie, is dat interview in De Groene Amsterdammer en het boek Trugkieke in de historie van de bijzondere duindorpen Burgh & Haamstede (deel 2, 2014, uitgegeven in eigen beheer) van de streekkenners Wim de Vrieze en Ana Maria de Vrieze-da Cunha Rosa. In het vervolg van dit verhaal wordt Lipschits dan weer uit het ene, dan weer uit het andere boek geciteerd, omdat hij hier soms bondiger spreekt of daar juist gedetailleerder. Citeren is onvermijdelijk; Lipschits kan niet meer persoonlijk worden benaderd.

Klompe had vooraf meegedeeld dat hij bereid was één kindje in huis te nemen, Alex. Hij zou het er goed hebben en nooit honger hoeven lijden. Maar oom Piet, de optimist, was ervan overtuigd dat Klompe “zo’n lief en rustig jongetje” als Ies er wel bij zou willen nemen. Het zou toch veel beter zijn als de broertjes gedurende de oorlog bij elkaar zouden blijven?

Er werd een ontmoeting afgesproken op het station in Overmaas in Rotterdam-Zuid; vandaar reed het trammetje naar de Zeeuwse eilanden. Ies was meegenomen, om Klompe voor het blok te zetten. Verder waren oom Piet, vader Sander, Jaap en Ies aanwezig. Klompe liet zich niet vermurwen door de aanblik van twee lieve jongetjes; hij zei onmiddellijk dat dit hem niet beviel. Hij wilde het bovendien kort houden om de eerstvolgende tram te kunnen nemen.

Ies, in Herinnering aan Joods Amsterdam over Gommert Klompe: “Die man kreeg geld onder tafel. Ik heb gezien dat mijn vader hem geld gaf en dat oom Piet tegen die man zei: ‘Dan moet je daarvoor die andere jongen óók nemen.’ Daar is over gesjacherd waar ik bij zat en dat is niet gegaan. Die man zei: ‘Ik neem één Joodje mee en niet twee.’ Dus toen ben ik weer mee teruggegaan. ‘Een Joodje’, zo zei hij het!”

Klompe, “een rots waarop alle argumenten afstuitten”, stond op, nam Alex bij de ene hand en diens koffertje in de andere, en vertrok. Ies was “helemaal verbouwereerd, stomgeslagen. Dat er zó over mij gepraat en gesjacherd werd. Ik wilde helemaal niet meer mee met die man, die op mij een norse indruk maakte”.

Alex was nog pas 2,5 jaar oud. Hij verdween naar een streek die hem volslagen onbekend was, Schouwen-Duiveland, met een vreemde man.

Ondergronds
Voor Ies, de puber, vond oom Piet een onderduikadres in Crooswijk, bij oud-AJC’ers. Hij zei meneer en mevrouw. Meneer werkte, mevrouw deed het huishouden. Het was er heel netjes, ieder ding had zijn eigen, vaste plaats. Aanvankelijk had Ies het er goed, en twee avonden in de week mocht hij naar de Schieweg om even bij zijn ouders te zijn. Oom Piet ging steeds meer ondergronds werk doen.

Op een dag werd alles anders. De partij droeg Piet op zich tot één ding van het illegale werk te beperken; en dat werden wapens. Sander en Grietje moesten verdwijnen, Ies was ook niet meer welkom op de Schieweg. Voor zijn ouders werd elders in Rotterdam een adres gevonden, Ies maakte ongewild een zwerftocht. In veertien dagen sliep hij op twaalf verschillende plekken, om uiteindelijk uit te komen in Friesland, in Sint Jacobiparochie, op de boerderij van de familie Balt op de Oude Bildtdijk.

Dit gezin bestond uit oom Coen, tante Aaltje en hun vier zoons Cees, Jippe, Jan en Thijs. Ies Lipschits zou er tot april 1945 blijven, en zo de oorlog overleven. “Ik heb”, zegt hij in De Groene over zijn Friese periode, “heel weinig mensen ontmoet van wie ik zeker wist: die zijn goed. Maar oom Coen was er een. Op zondag mocht ik niet mee naar de kerk. Hij had niet een jood in huis genomen om er een christen van te maken. Iedere maand kreeg oom Coen van de illegaliteit behalve wat bonkaarten ook een beetje geld. Toen ik bij hem wegging, kreeg ik een spaarbankboekje, waar al dat geld op stond.”

Hel
De Duitsers moordden het gezin Lipschits bijna compleet uit. De vader van Ies was om geld te verdienen vanuit zijn onderduikadres weer in de zwarte handel gegaan. Hij werd ervoor opgepakt, volgens Joods Monument op straat, in gezelschap van zijn echtgenote. Ze mochten hun leven niet uitleven: Sander werd vermoord in Auschwitz, op 30 april 1943; Grietje was daar op 15 januari 1943 al geëindigd.

Jaap wilde vanuit zijn Amsterdamse adres eens een bezoek brengen aan Rotterdam. Onderweg arresteerden de Duitsers hem echter in de trein en stuurden hem naar Sobibor, nog zo’n hel op aarde. Op 21 mei 1943 werd hij vergast. Maurits was driekwart jaar eerder al naar het vernietigingskamp Auschwitz getransporteerd, om er op 30 september 1942 te worden vermoord. Misschien is hij wel die naamloze broer over wie Ies schrijft: “Een andere broer heeft zich aangemeld voor deportatie. Hij zei: ‘Het is niet zo erg, we moeten wat werken in Polen.’”

Rebecca, de dochter, was in de zomer van 1940 getrouwd met Izak Cohen (Haarlem, 27.6.1910). Na het bombardement op Rotterdam ging ze met een bakfiets de stad in en verkocht ze koeken, kogelflesjes limonade, chocolademelk en chocoladerepen aan de puinruimers. Maar ze was joods, en joden waren on-mensen, die uitgeroeid dienden te worden. Tegelijk met haar man stierf Bep Cohen-Lipschits op 30 april 1943 in Auschwitz.

Ten slotte nog Levi Meijer Lipschits, de eerstgeborene. Hij was het die zijn ouders een eerste kleinkind had bezorgd, Grietje geheten, naar zijn moeder, op 13 februari 1941 in Schiedam. In die gemeente, aan de Stationstraat 35a, woonde Levi, samen met zijn vrouw Martha Swaalep (Rotterdam, 23.2.1918). Ies heeft haar gekend; zij was “een jiddisje memme voor me”. Levi werd gedood in Auschwitz, op 28 februari; zijn vrouw en kind waren er kort daarvoor al vergast, beiden op 7 december 1942.

En Louis Swaab, de boezemvriend van Ies? Het hele gezin Swaab, vader Jozef, moeder Keetje en hun zeven kinderen, is weggevaagd. Voor allemaal stokte het leven abrupt in Auschwitz, op 22 oktober 1942. Alleen de vader ‘leefde’ vier maanden langer, om op 28 februari 1943 evengoed de douchekop te horen sissen.

Solidariteit
Ies en Alex waren nu de enigen die de oorlog ongeschonden waren doorgekomen. Vanzelfsprekend hadden zij na de bevrijding geen weet van al die onbevattelijke moordpartijen. Ze waren nog kinderen. Pas gaandeweg zouden ze vernemen hoe en waar hun familieleden waren opgeruimd.

Ies Lipschits keerde in de zomer van 1945 terug naar zijn eerste onderduikadres, bij Piet van Maris, op de Schieweg. Dat hadden oom Coen en oom Piet zo besloten. Hij ging er naar de hbs en werd intussen een “groot bewonderaar van het communisme”. Hij was “gegrepen door het streven naar één grote arbeidersorganisatie met massale 1 mei-bijeenkomsten”.

Voortijdig verliet hij zijn school om te gaan werken op de advertentieafdeling van De Waarheid. Toen er een rel uitbrak tussen Paul de Groot en hoofdredacteur Koejemans, vielen hem “de schellen van de ogen. Mijn communisme was vrij snel bekoeld”.

Bijna twee jaar woonde Ies bij het gezin Van Maris. De verhoudingen werden ondertussen steeds moeilijker. Oom Piet en tante Nel groeiden uit elkaar, Annie werd opstandig. Een maatschappelijk werkster van de voogdijstichting Le-Ezrath Ha-Jaled (Het Kinder ter Hulpe) sprak met hem over het jodendom, Ies raakte onder de indruk en ging erover nadenken. “Ik ging er steeds naar verlangen in een joodse sfeer te leven.”

Dat trof: in het Joods Jongenshuis op de Amstel 21 bij de Blauwbrug was plaats voor hem, begin 1947. “Vrijwel alle bewoners waren oorlogswezen”, vertelde hij in het boek ‘Herinnering aan Joods Amsterdam’, “van wie de ouders waren gedeporteerd. Ik was getroffen door die sfeer daar en ik kwam tot de overtuiging dat bij het jodendom mijn solidariteit hoorde te liggen.”

Het Joods Jongenshuis, met om de hoek van het Waterlooplein, stond midden tussen de ruïnes van de oude jodenbuurt. “Het was een hele trieste buurt, er zaten geestelijk ‘gaten’ in die buurt.”

Wordt vervolgd.

Foto 4: In de stoep zijn struikelsteentjes (zogenoemde Stolpersteine) gemetseld, waarmee vier van de zes omgebrachte gezinsleden worden herdacht. (Foto: Gert van Engelen)


Jim Postma :
Hierna, dank zij onze Hans Roodenburg, komt binnenkort nog zijn verhaal over hoeveel Joodse gezinnen (vanuit welke wijken dan ook) werden getransporteerd naar vernietingskampen, haast zonder dat welke Rotterdamse burger dan ook zijn of haar hand uitstak om die absolute genocide te voorkomen.
Toen, als een godswonder, na de oorlog nog enkele hier terug kwamen, om weer te gaan wonen in hun eigen huizen, werden zij voor de tweede keer totaal verketterd.
Grove schande, schaamteloos!

Opdat wij met zijn allen dit nooit mogen vergeten. Indeed!

Amen!

maandag 30 apr 2018

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Militairen ‘blauw ‘ op straat


Gratis ochtendkrant Metro kopte gisteren:
‘Politie zal straks ‘nee’ moeten zeggen’.
En: De werkdruk bij de politie is zo hoog,
dat het aantal overtredingen van de
Arbeidswet dit jaar zal uitkomen op 200.000.

Gevolg: Politiemensen stukken minder gemotiveerd,
te hoge werkdruk leidt tot stress, burn-outs en
aantal ziekmeldingen onder onze wethandhavers
neemt alarmerende vormen aan.

Met nu zo’n 1100 nieuwe agenten erbij en dure
langdurige opleidingen, blijft het landelijke
Nationale Politiekorps dweilen met de kraan open.

Interview met hoofdagent: ‘Wat je alleen wel ziet,
Is dat de burgers langer moeten wachten op een
aangifte die ze hebben gedaan. En ze zullen minder
blauw op straat zien?’

Nog minder blauw op straat? Nog langer wachten
voor de burgers op aangiften? Kan het nog gekker.

De misdaad, zeker de zware criminelen tieren
tegenwoordig zo welig als nooit te voren. Gelegenheid
maakt de dief. Pakkansen steeds kleiner, de
veiligheid op straat en in het verkeer nemen
intussen eveneens alarmerende vormen aan.

Waarom op korte termijn geen militairen tijdelijk
betrekken als noodagent nu de nood het hoogst is.
Wat doen militairen eigenlijk in vredestijd?
Oefenen in de kazerne, in het bos, op het strand
En waarom dus niet direct op straat en in het verkeer?

Met zeer effectieve korte opleidingen tot agent, overal
direct inzetbaar, van terrorismebestrijding tot
invallen bij zware criminelennesten.

Simpel zolang de nood het hoogst is tijdelijk
met een het wisselen van een
groen naar een ‘blauw’ uniform. Met daarbij een
besparing van honderden miljoenen euro’s.

En anders, Opstelten zei het al in alle toonaarden:
'Blauw op straat,
meer blauw op straat,
nog meer blauw op straat.’

Allemaal, allemaal, hartstikke blauw op straat!


Jim Postma.

  • Nieuw

  • Reacties