Ketelbinkie in Krantenland (30)

En nu naar Londen

Geert-Jan Laan vertelt: Begin 1960 werd duidelijk dat mijn vader op korte termijn een nieuwe baan zou krijgen bij bij de Internationale Federatie van Transportarbeiders in Londen. Hij zou bij die internationale vakbond van vooral Amerikaanse en Westeuropese transporterbeiders zoals havenwerkers, vrachtwagenchauffers, zeelieden en vissers, verantwoordelijk worden voor het steunen en stimuleren van vakbonden in wat we later de derde wereld zouden noemen. Dat betekende dat mijn jongere zus Margot en ik zouden meeverhuizen naar Londen. Mijn oudere broer Reint zou in Rotterdam blijven om de kweekschool af te maken.

Ik was 17 jaar en sinds kort in de vierde klas van de HBSA-afdeling van het Libanonlyceum in Rotterdam. Dat ging wel aardig, al werden we door sommige leraren vanwege onze achtergrond denigrerend “MULO-klantjes”genoemd. De leraar Nederlands had daar ook een handje van. Uit wraak heb ik mij bij zijn eerste repetitie over middeleeuwse literatuur dusdanig voorbereid dat ik alleen al op de eerste vraag van zijn repetitie in de beschikbare tijd zo'n tien velletjes volpende en hij verbijsterd over zo veel kennis mij ruiterlijk zijn excuses aanbood.

Met het vooruitzicht dat ik op korte termijn in Londen naar een nieuwe school zou gaan vroeg ik aan mijn vader of het niet nuttig was al vooruit te gaan en een school te zoeken.

Hij vond dat een goed plan. Ik zou kunnen logeren bij een Engelse collega van hem, die voor de oorlog nog bij die internationale vakbond in Amsterdam had gewerkt en ook wel aardig Nederlands sprak. Zo stapte ik in februari 1960 in Hoek van Holland op de boot naar Harwich. Ik was alleen. Ik had een nieuw paspoort en wel drie hele Britse ponden op zak.

Het was al donker toen we in Harwich arriveerden. Als Nederlander moest ik mij melden bij de poort “Vreemdelingen.”

De betreffende beambte bekeek mijn paspoort uitvoerig.,,En wat komt u doen in het Verenigd Koninkrijk?”

,,Ik kom hier om een school te zoeken omdat mijn vader een baan in Londen krijgt,”zei ik in mijn beste Engels. Hij keek naar het adres in Londen dat ik te voren had ingevuld:,, Is dat geen kantooradres ?” vroeg hij wantrouwend. Ik wist het niet, want ik was er nog niet geweest. ,,Hoeveel geld heeft u bij zich,”vroeg hij daarna. Ik liet hem trots mijn drie ponden zien. Dat maakte niet echt veel indruk. Hij knalde een stempel in mijn paspoort en schreef daar met de hand iets in. Ik kreeg toestemming om gedurende een periode van drie dagen in Engeland te verblijven. Wat vriendelijker voegde hij er aan toe:,,Als dat adres klopt dan zit u vlak bij de afdeling van het ministerie dat verblijfsvergunningen verstrekt. Legt u daar uw verhaal nog maar eens uit. Dan komt het wel goed.”

Het kwam ook goed. Maar ik moest het wel alleen doen. Mijn gastheer was een aardige man maar weinig behulpzaam. Zijn echtgenote was het duidelijk niet eens met de ploselinge komst van een jonge Hollander.

Na een korte, zeer vrijblijvende periode op een soort volksuniversiteit , stuurde mijn vader mij naar de nog steeds bestaande “Pitman School of English”. Deze school was gespecialiseerd om buitenlandse studenten zoals ik voldoende Engels bij te brengen om gewoon naar school te gaan of colleges te volgen. Via dat instituut vond ik ook tot mijn opluchting een nieuw kosthuis in de wijk Maida Vale bij de oudere, zeer zorgzame dame mrs Tilley die elke ochtend dusdanige ontbijten serveerde dat je de rest van de dag nauwelijks meer hoefde te eten. Via haar kwam ik ook terecht bij de British Council. Een vrolijke club die elke zaterdagavond dansavonden organiseerde maar ook lezingen, filmvoorstellingen en – snel mijn favoriet- debat bijeenkomsten.

Het viel ook niet mee toen mijn ouders in het najaar naar Londen verhuisden om weer thuis in het gareel te lopen. Maar gelukkig had ik al zelf een behoorlijk sociaal netwerk opgebouwd. Soms verkering met Italiaanse of Spaanse aupair meisjes. Mijn doel was de Britse middelbare schooldiploma's, genaamd General Certificate of Education, te halen. En dan vooral het zogenaamde “advanced level” om toegang tot de universiteit te krijgen. Omdat voor elkaar te krijgen ging ik naar de Regentstreet Polytechnic in het centrum van Londen. Een school met een eigen inpandig zwembad en een eigen sportaccomodatie aan de Theems even buiten Londen. Het eerste jaar haalde ik wel diploma's in de vakken Frans, Duits, Economie, Economische Geschiedenis en Brits Staatsrecht maar helaas niet op het gevorderde niveau. Dat betekende een jaar later herexamen, maar via de avondopleiding. En voor overdag een baantje zoeken.

Dat baantje vond ik bij de wereldberoemde, zichzelf de grootste boekwinkel ter wereld noemende Foyles in de boekenstraat Charing Cross Road. Ook bij Foyle's trof je de gebruiken en verhoudingen uit een vorige eeuw die ook op de hak werden genomen in de latere warenhuisserie “Are you being served?” Iedere ochtend om precies 11 uur verzamelde , onder leiding van general-manager mr. Rush, het leidinggevende personeel zich voor de hoofdingang van het boekenpaleis.Precies om elf uur reed de Rolls Royce van eigenaresse miss Foyle voor en opende de general-manager haar deur. Iedere dag informeerde hij naar haar gezondheid en vroeg hij of ze een ongestoorde reis had gehad vanuit haar landhuis. Daarna schreed zij langs haar buigende ondergeschikten op weg naar haar kantoor.

Mijn eerste werkzaamheden bestonden uit het inpakken van boeken die met de post werden verzonden. Dat gebeurde in de kelder en via een vrachtlift gingen ze verder. Vaak de wijde wereld in. Het viel al snel op dat mijn Engels, in vergelijking tot andere Europese nationaliteiten – waarschjnlijk dankzij de MULO – aanzienlijk beter was.

En dus mocht ik in het paperbackgedeelte aan klanten rechtstreeks boeken verkopen. Weer wat later maakte ik een dijk van een promotie toen ik werd benoemd tot “Manager United States and Canada”. Dat betekende dat ik alle schriftelijke bestellingen uit die twee landen moest afhandelen. Mijn vaste weekloon van zo'n 8 pond veranderde in een commissie op mijn gescoorde omzet. En dat kon oplopen. Soms ging ik naar huis met een dikke 20 pond in mijn zak. Toen ook al een aardig salaris. Een nadeel van het systeem was dat je geneigd was de duurdere boeken zoals medische boeken met voorrang te behandelen en de goedkopere bestellingen voor je uit te schuiven. Dat werd mijn ondergang. Er kwamen klachten en ongeveer een maand later stond ik op straat. Maar wel een ervaring en een wijze les rijker.

In het jaar 2003, toen Foyles honderd jaar bestond, heb ik dit verhaal in het Engels mogen publiceren in het speciale jubileumboek dat toen verscheen. De nieuwe eigenaar, een neef van de overleden miss Foyle, verleende mij op bezoek ter plekke opnieuw de voor vaste personeelsleden geldende korting van 25 procent.

Ik had in die Londense tijd ook een aantal stukken geschreven voor de toenmalige jongerenpagina van Het Vrije Volk. In afwachting van de uitslag van mijn herexamens vertrok ik ook in juli 1963 terug naar mijn ouders in Rotterdam. Ik had toen verkering met een vrolijke meid uit Haiti. Bij het afscheid op het Victoria station zei ze verwijzend naar haar huidskleur.,,Ik heb je geleerd hoe je chocolademelk moet drinken. Ga terug naar Holland. En drink melk.”

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

All in the family

Als je heel toevallig
In hetzelfde nest
geboren bent

Wat is toevallig?

Wil nog niet zeggen
dat je broers en
zussen hebt.


Jim Postma

  • Nieuw

  • Reacties