Een tompoes met ‘heel veel ellende’

Ik kom voor mijn gebruikelijke ochtendritueel, koffie met krantje, volkskroeg Centraal binnengelopen. Nog amper door de deuropening komt mijn vriend Rinus Blomsteel, kunstschilder, mij tegemoet.


Tot mijn verbazing valt hij mij om mijn nek en zegt: ,,Wat ben ik blij om je te zien!’’ Tijdens die omhelzing zie ik zijn vochtige ogen. Als wij weer los zijn van elkaar, stamelt hij: ,,Mijn enige broer Ton is vannacht in het ziekenhuis overleden.’’


Ik wist dat het slecht ging met zijn broer. Twee jaar geleden, vlak voor de opening van zijn expositie in café Gommers in Delfshaven, moest het been van Ton worden afgezet. Vanwege zware suikerziekte. Rinus was daardoor toen al hevig aangeslagen.

Nu stond het ‘Schildersbeest van Rotterdam’, zijn geuzenbijnaam, vlak voor de opening van zijn nieuwe tentoonstelling in café Centraal. Met rood omrande ogen, geheel in zak en as.


Op dat moment, als Rinus en ik aan een tafeltje zijn gaan zitten, komt uitbater Frans het café binnen samen met zijn vrouw en mede-eigenaar An. Zij heeft al enige tijd een heftige vorm van kanker.

Als zij horen dat de broer van Rinus is overleden op 53-jarige leeftijd mompelt An: ,,Wat een ellende. Wat is er toch veel ellende in deze wereld!’’

Zelf is zij zojuist in de Daniël den Hoedkliniek geweest voor haar tweede chemokuur. ,,Ik heb er nog 23 te gaan,’’ vertelt An tussen neus en lippen door.


Dan komt er een man van in de vijftig met een afgetrokken gezicht de zaak ingewandeld. Baas Frans loopt op hem af en vraagt: ,,Hoe gaat het met je?’’ De uitbater wist dat een week geleden zijn moeder was overleden. De man zegt geheel te neergeslagen: ,,Vandaag ben ik ook nog eens ontslagen, ons bedrijf is failliet.’’


Bardame Ingrid komt nu plotseling uit de keuken en zet twee keer een tompoes met slagroom op ons tafeltje. Zij zegt daarbij stralend: ,,Die zijn van de baas. Die viert vandaag zijn verjaardag!’’


Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De mooiste gedichten van de wereld 4

50 dichters kiezen hun favoriete gedicht uit de schatkamers van Poetry International en vertellen waarom.

Jana Beranová over Vasko Popa


Een kleine hommage

Het is 1970, het 1e jaar van Poetry International.
Voor vertalingen is nog weinig geregeld. Ik lees
dat mijn landgenoot Miroslav Holub uit het Duits
is vertaald en bel op. Martin Mooij vraagt mij om
te komen. Holub kreeg van het toenmalig regiem
geen uitreisvisum. maar omdat ik ook uit andere
Slavische talen kan vertalen, bevind ik me opeens
tussen de werelddichters.

Eén kijkt me aan met van die droeve wolvenogen.
Ik wist toen nog niet dat wolven een belangrijke
rol speelden in zijn Roemeens-Servische cultuur.
Het is Vasko Popa en hij leest die avond uit
‘Spelen’ voor. Poëzie als spel met ons bestaan.
Ik lees en herlees. Tuimel van verbazing naar
verbazing. Het is Beckett, maar menselijker.
Een stoelpoot die lief gebaart! Ik zie een
keukenstoel. Allicht, fauteuils hebben armen.
Absurd. Een merkwaardige herkenning.

Van het eerste festival is op papier weinig
overgebleven, maar ‘Spelen’ zijn in mijn
vertaling opgenomen in Machine van
woorden (1975), de eerste boekuitgave
van Poetry International.

In 1974, toen hij de wolvengedichten las,
kocht ik voor hem een vaatje haringen – Popa
was dol op Hollandse nieuwe. Bij het afscheid
op Schiphol struikelde ik, het vaatje viel op de
grond en rolde naar hem toe. Hij gaf het een
tik, vaatje rolde terug en ik kon het alsnog
feestelijk overhandigen. Aan het eind van zijn
leven, hoorde ik jaren later, zat hij in winterjas
op een stoel midden in de kamer te wachten
op de dood. Dat was weer een andere stoel.



vertaling: Jana Beranová

Popa was 6x gast op Poetry International


  • Nieuw

  • Reacties