Sporten is levensgevaarlijk

Met het overlijden van de jonge Noorse topzwemmer Dale Oen is maar weer eens gebleken dat sport en dan vooral ook topsport, levensgevaarlijk is.

Gelukkig kom ik uit een gezin, waarin vrijwel niet aan sport werd gedaan. Mijn grootvader nam mij wel eens mee wanneer hij ging vissen. Onze eigen vader nam ons regelmatig mee naar Sparta en kocht dan kaartjes voor mijn broer en mij voor de jongenstribune. Zelf ging hij naar de lange zij, waar hij, zo hoorde ik later, tijdens de wedstrijd luidkeels vloekte en tierde tegen scheids- en grensrechters, maar op de terugweg was hij weer die aardige belangstellende man die hij altijd is gebleven.

Zelf ben ik altijd wat bewegen betreft uiterst lui geweest. Toen wij in de Amsterdamse Bos-en Lommerbuurt op een vierde etage gingen wonen bleef ik als kleuter altijd op de tweede etage hangen. Aangezien mijn ouders mij nooit kwamen ophalen belde ik na een kwartiertje aan bij onze benedenburen op de derde verdieping. Daar kreeg ik dan een snoepje en soms een glaasje ranja. Met de benedenbuurvrouw besprak ik dan de dingen van de dag en gesterkt begon ik aan de laatste trap naar boven. Ik kan mij niet herinneren dat mijn ouders daar ooit iets van zeiden.
Op de lagere school later in Rotterdam had ik direct een grote hekel aan de gymnastiekleraar. En hij aan mij, want ik toonde zo weinig enthousiasme voor zijn opdrachten dat hij mij als laatste selecteerde om in de ringen een ‘vogelnestje’ te maken. Na twee of drie mislukte pogingen sprak hij de voor mij uiterst welkome woorden: ,,Ga jij je maar vast aankleden.’’

Alleen zwemmen in het Sportfondsenbad aan de Van Maanenstraat vond ik leuk. Ik haalde daar zelfs vier diploma’s en kon zo lang onderwater blijven dat ik voor het derde of vierde diploma alle bordjes omhoog haalde. Maar zodra het om snelheid ging haakte ik af. Voetballen vond ik ook wel leuk. Maar toen ik mij bij de Rotterdamse eliteclub VOC meldde, waar de meeste van mijn vrienden voetbalden, vroeg de dienstdoende bestuurder: ,,Wat doet je vader?”
,,Hij werkt in de haven,” zei ik. ,,Ga dan maar naar Feyenoord,” zei hij en ik kon gaan. Ik vertelde het die avond aan mijn vader. Hij vroeg of ik dat advies zou opvolgen. Ik heb iets gezegd in de trant van: ,,Ik ben toch niet gek, ik ga geen uur fietsen vanuit Blijdorp om op Zuid anderhalf uur te voetballen.”

Mijn vader was van de eerste generatie die alles met de auto deed. Zelfs voor een boodschapje op honderd meter afstand werd de auto gepakt. Dat heeft me op het idee gebracht altijd dicht bij mijn werk, meestal in het centrum van de stad, te gaan wonen. Ook toen ik in aanmerking kwam voor een leaseauto deed ik dat tot op de dag van vandaag. Ik heb nu al bijna tien jaar geen auto meer en het bevalt prima. Soms huur ik een autootje van de firma Green Wheels. Maar ik loop veel. Naar de kruidenier, naar de slijter en dat is hoogstens honderd vijftig meter. Enkele gezellige kroegen liggen ook binnen dat bereik. Voor langere afstanden is er het openbaar vervoer dat vooral in de grotere steden in Nederland uitstekend is geregeld.

Zo halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw werd de toen in veler ogen uitgerangeerde politicus Winston Churchill geïnterviewd door het Britse linkse weekblad ‘The New Statesman’. Hij onderstreepte zijn bange voorgevoelens over een nieuwe oorlog met Nazi-Duitsland met krachtige klappen van een zwaard. Op de vraag van de waarschijnlijk nog jonge verslaggeefster of hij nog aan echte sport deed zei hij: ,,Mevrouw, als ook maar even de gedachte aan sport in me opkomt, ga ik liggen en wacht ik tot het voorbij is.’’

En zo is het maar net.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De sloopkogels van de Internationale

(door Kees Versteeg)


De brand in de Notre-Dame deed me ineens terugdenken aan de Koninginnekerk. Gesloopt in 1971. Hij stond aan de Boezemsingel in Crooswijk. In de verkiezing Mooiste Gesloopte Kerk kwam de Koninginnekerk als winnaar uit de bus.


D
e brand in de Notre-Dame is een ongeluk. Binnen een dag is 700 miljoen euro verzameld voor de wederopbouw. De sloop van de Koninginnekerk was daarentegen een geplande politieke misdaad.

De toenmalige PvdA-burgemeester Thomassen was een warm voorstander van de sloop. Er moest op die plek een niet-confessioneel bejaardenhuis komen. De sloop van de kerk riep in 1971 veel verzet op. Tegenstanders zeiden: ‘Wat de nazi’s lieten staan, dat gaat er nu wel aan.’

De linkse raad won. De sloop werd doorgezet. Er hangt een portret van Thomassen en zijn vrouw An in het Rijksmuseum. Misschien is de tijd nu rijp om er een bordje bij te zetten.

Met de tekst: ‘In de tijd dat Thomassen burgemeester was van Rotterdam, ontwikkelde de stad zich tot wereldhaven nummer één. Daarnaast was Thomassen ook een kopstuk in de politieke misdaad. Op de plaats waar ooit de Koninginnekerk stond, verhief hij Judas tot bouwmeester en noemde dat verheffing van het volk.’




  • Nieuw

  • Reacties