Vermeend racisme

7013-vermeend-racisme (Door Ronald Sörensen)

Toen ik 16 jaar gelden openlijk voor Pim Fortuyn koos, maakte ik iets verbijsterend mee. Jaren was ik werkzaam op een zgn. zwarte school. Enkele jaren zelfs als docent in de internationale schakelklassen, waar kinderen van asielzoekers in twee jaar bijgeschoold werden om in het regulier onderwijs een plek te kunnen vinden. Toen ik voor Fortuyn koos o.a. om zijn kritische houding tegen de opkomende en in mijn ogen zeer intolerante Islam, werd ik ondanks mijn werkzaamheden plotseling van racisme beschuldigd.

Op een politieke bijeenkomst stond één van mijn oud leerlingen, die – lid van de toen grootse partij van onze stad – het niet voor me opnam na weer zo’n beschuldiging. “Waarom nam je het niet voor me op” vroeg ik hem na het debat. “Dat wordt me niet in dank afgenomen meneer” zei hij zich verontschuldigend. In weer een ander debat werd ik voor de zoveelste keer beschuldigd door een mevrouw, die haar kinderen naar een Rooms Katholieke witte school had gestuurd, terwijl ze in de schaduw van onze school woonde. De reden leek duidelijk, want haar partij steunde het openbaar onderwijs: Liever Paaps dan je eigen kleur Rood zou je bijna zeggen. Je kinderen niet naar een openbare “zwarte” school sturen, maar iemand die op zo’n school werkt van racisme beschuldigen.

Laten we vooropstellen dat ieder mens ongelijk is. Prof Galjaard (geneticus) heeft over dat onderwerp een boeiend boek geschreven: “Alle mensen zijn ongelijk”. De kern van de zaak is dat iedereen in ons land het recht heeft om gelijk behandeld te worden. Dat staat in de wet, niet dat iedereen gelijk is.

Toen Pim Fortuyn in 2001 in het beruchte Volkskrant interview stelde dat artikel 1 van de grondwet over discriminatie afgeschaft kan worden, omdat alle andere artikelen van de grondwet al een vrijwaring tegen discriminatie gaven, viel iedereen over hem heen. Zelfs Anne Frank werd ten tonele gevoerd. Fortuyn stelde ook dat artikel 1 volgens hem de mogelijkheid gaf om de vrijheid van meningsuiting te torpederen. Wat een vooruitziende blik!

Op mijn school met 65 nationaliteiten constateerden we dat leerlingen met een Chinese achtergrond het over het algemeen heel goed deden bij wiskunde. Mijn collega in dat vak maakte ooit een in onze kring legendarische opmerking over een Chinese leerling: “Merkwaardig hij heeft maar een zeven voor wiskunde”

Een – niet wetenschappelijk – maar door de praktijk onderbouwde opmerking. Prima, zolang die categorie leerlingen maar net zo behandeld wordt als leerlingen zonder wiskundeknobbel. Bij de kortzichtige interpretatie van artikel 1 door Deug 66 (56 jaar niets bereikt) en GL zou die opmerking discriminatie zijn. Racisme zelfs. Kinderen van een andere denominatie worden niet helemaal gelijk beoordeeld. Nonsens, maar gevaarlijke bewust uitgekraamde en demoniserende nonsens. Wij weten waar het toe heeft geleid, want in onze stad staat het standbeeld voor Pim met daarop de zin: Laat ons waken over de vrijheid van spreken.

Uiteraard schrijf ik dit naar aanleiding van de commotie die is ontstaan na de “herontdekking” van een tweet van een donkere Surinaamse Amsterdammer over een niet volledig onderbouwde correlatie tussen IQ en volkeren. Na twee jaar schouderophalen waren plotseling de rapen gaar: Het partijkartel in de praktijk. Merkwaardig dat toen en ook nu, niemand van de quasi gekwetsten naar de politie is gegaan om aangifte te doen of één van die volstrekt nutteloze antidiscriminatiebureaus heeft ingeschakeld.

Zegt eigenlijk al genoeg.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Nagekomen Pinksterverhaal

(door Torcque Zaanen)

Er waren eens twee broers. De oudste, een harde werker, fanatieke kerkganger, geen slecht woord over te zeggen. Zijn broer daarentegen zoop als een ketter, hoerde en snoerde, werkschuw, en deed alles wat God (of de priesters) verboden hadden. De oudste broer waarschuwde de jongste dat als hij zo door zou gaan, hij nog eens in de “Hel” zou komen. De jongste lachte hem dan alleen maar uit.

Op een dag was het zover. Na het drinken van z’n laatste borreltje werd de koets geprepareerd om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden die, gezien zijn levensstijl, niet meer en niet minder dan de “Hel” betekende. Na enkele jaren in de “Hel” doorgebracht te hebben besloot hij op een dag wat verkoeling te zoeken en de benen te strekken. Na een kleine wandeling kwam hij bij een stenen muur die volgens zijn gevoelens weleens de scheiding tussen “Hemel” en “Hel” zou kunnen zijn.

Bij nader onderzoek ontdekte hij zowaar een stoffig raampje. Hij maakte het schoon en toen hij er doorheen kon kijken, kreeg hij bijna een hartstilstand. Het leek het er even op dat hij voor de tweede keer de kraaienmars zou blazen. Want wat zag hij daar, door dat smoezelige raampje... ja, z’n oudste broer, de broer die altijd zo netjes was geweest, hard gewerkt had, altijd trouw naar de kerk ging, die broer stond daar met een bezem in z’n handen, bezweet als een otter de grond te boenen.


Om de aandacht te trekken van z’n broer klopte hij met een rond slingerende bierfles zo hard hij kon op het raampje. Als bij toeval keek zijn broer op om te zien waar dat geklop vandaan kwam en zo keek hij zijn jongere broer in de ogen. Wat een verrassing, ja, hij was er wel blij mee, het was alleen jammer dat de afscheiding ertussen zat.

Ook al ging het moeilijk, ze konden toch nog wat ervaringen uitwisselen. De oudste broer maakte zich ook nu nog zorgen over z’n broertje, maar deze wuifde alle zorgen weg door te zeggen dat hij het enorm getroffen had: ‘al mijn vrienden en vriendinnen zijn hier, de hoertjes, de kroegbaas, ja eigenlijk iedereen en we vermaken ons best, alle drank is gratis, lekker eten en noem maar op, nee ik heb het best naar mijn zin.’

‘Maar tussen twee haakjes, wat doe jij daar in hemelsnaam met een bezem in je handen?’ ‘Nou, ja,...eh, kijk…’ begon z’n oudste broer verlegen, ‘het is hier erg groot en de boel moet schoon gehouden worden. Iemand moet het toch doen.’ ‘Hoe bedoel je, doen die anderen dan helemaal niks?’ De oudste broer keek hem vragend aan: ‘Hoe bedoel je: die anderen, welke anderen?’ ‘Nou gewoon,.. de anderen.’ ‘Nou nee,.... er zijn geen anderen, ik ben hier helemaal alleen.’ En hij nam zijn bezem weer op en veegde rustig door alsof hij zijn hele leven niets anders had gedaan.


  • Nieuw

  • Reacties