Achter de toonbank 4

6668-achter-de-toonbank-4 (Door Corry Gryn)

Ik hoor u denken als u de foto bij dit stukje bekijkt:”Wat hebben koeien in vredesnaam te maken met een drogisterij?”.

Dat ga ik u uitleggen. Onze winkel staat in een gemeente waar nog diverse boerenbedrijven zijn, dus ook koeien, paarden en schapen. Zo kon het dus gebeuren dat ik een jonge man in de winkel kreeg die stond te zoeken in het verbandschap. Op mijn vraag of ik hem helpen kon, vertelde hij mij in het (smakelijke) plaatselijke dialect dat er “een koei op z’n pôôt was gôan stôan!”. “En precies op m’n klaaine teentjie! 400 kilo koei! Ik mos effe wachte op iemand en ik stond met twêê koeien in m’n hande. Môar die bêêste worde zo vervelend asse effe motte wachte! Dan gôan ze ammel stôan te kliere!” En dat alles met een grote grijns.


Toen ik enigszins was bijgekomen vroeg ik hem ,tóch wat bezorgd, of hij dan niet eerst naar de huisarts moest in verband met een mogelijke breuk.

“Nou, daer ben ik al gewist, môar die verwees me hier naertoe, voor een rollechie teep. Kank m’n twêê klaainste teentjies an mekôar téépe!”. Nadat ik hem uitgelegd had hoe hij die ‘teep’ moest aanbrengen, zei hij nogmaals: “400 kilo koei!”. “Tsja, da’s géén kattepis!” zei ik opgewekt. Hij kon er smakelijk om lachen, en vertrok nog nagrinnikend richting de deur. “En nog bedánkt, hoor!”.

Maar niet alleen koeien spelen een rol in de gemeente, er zijn ook een heleboel paardenliefhebbers. Jaren geleden kwam er eens een oud boertje in de winkel, petje op, bonkertje aan , klompjes aan de voeten. Na een vriendelijk ”Goeiemorgen maaid!” zette hij zijn klompjes keurig op de mat, waarna hij op zijn geitenwollen sokken naar de toonbank kuierde.

“Zeg, hebbie soms een hoestdranksie op plantâerdige bôasis? ’t Is voor m’n pâerd! ’t Bêêssie hoest zó verschrikkelijk!”. Ik greep direct een grote fles hoestsiroop uit het schap, waarvan ik zeker wist dat het zou werken. “Deze kunt u het beste nemen. Dieren vinden dit erg lekker, en ik weet van andere klanten dat het goed werkt”. Hij geloofde me op m’n woord, beloofde me te laten weten hoe het ging met het paard, trok z’n klompjes weer aan en klepperde welgemoed naar z’n fiets.

Een week later kwam hij nóg een fles halen, voor de “schâepies”, want die hoestten ook zo. Het paard was weer volledig hersteld, en hij bedankte me hartelijk voor het advies.

Dan zijn er nog de jonge geitjes en lammetjes, waarvoor de eigenaars vaak kleine babyflesjes komen halen als ze ‘aan de fles moeten’.

Tegenwoordig krijg ik ook dikwijls foto’s te zien van dieren die op de één of andere manier gewond zijn geraakt en weer opgepept zijn met de diverse middelen die wij geadviseerd hebben. Is tóch erg leuk!

Dat is dan weer het voordeel van een kleine plattelandsgemeente: je word overal nauw bij betrokken.

En wat dacht u van konijnen? Jaren geleden was er een fokker die met z’n mooiste konijnen aan wedstrijden meedeed. Het waren witte ‘knijne’, en voor zo’n wedstrijd moesten ze ook écht wit zijn.

Dus de fokker kwam een keer in de winkel, en vroeg om “een paksie blauwsel voor m’n knijne”. Afgaande op mijn verbaasde blik legde hij uit dat ‘ie z’n witte konijnen borstelde met blauwselwater, want dan werden ze spierwit! “En de pôôtjies smeer ik in met krijt, worde ze òk mooi wit, snappie?”. Ik snapte het helemaal, maar had toch een klein beetje medelijden met de beestjes: als wedstrijdkonijn wordt er wat afgesold met je!

Zo u ziet, we maken wat mee ‘in ’t durp’!

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Nagekomen Pinksterverhaal

(door Torcque Zaanen)

Er waren eens twee broers. De oudste, een harde werker, fanatieke kerkganger, geen slecht woord over te zeggen. Zijn broer daarentegen zoop als een ketter, hoerde en snoerde, werkschuw, en deed alles wat God (of de priesters) verboden hadden. De oudste broer waarschuwde de jongste dat als hij zo door zou gaan, hij nog eens in de “Hel” zou komen. De jongste lachte hem dan alleen maar uit.

Op een dag was het zover. Na het drinken van z’n laatste borreltje werd de koets geprepareerd om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden die, gezien zijn levensstijl, niet meer en niet minder dan de “Hel” betekende. Na enkele jaren in de “Hel” doorgebracht te hebben besloot hij op een dag wat verkoeling te zoeken en de benen te strekken. Na een kleine wandeling kwam hij bij een stenen muur die volgens zijn gevoelens weleens de scheiding tussen “Hemel” en “Hel” zou kunnen zijn.

Bij nader onderzoek ontdekte hij zowaar een stoffig raampje. Hij maakte het schoon en toen hij er doorheen kon kijken, kreeg hij bijna een hartstilstand. Het leek het er even op dat hij voor de tweede keer de kraaienmars zou blazen. Want wat zag hij daar, door dat smoezelige raampje... ja, z’n oudste broer, de broer die altijd zo netjes was geweest, hard gewerkt had, altijd trouw naar de kerk ging, die broer stond daar met een bezem in z’n handen, bezweet als een otter de grond te boenen.


Om de aandacht te trekken van z’n broer klopte hij met een rond slingerende bierfles zo hard hij kon op het raampje. Als bij toeval keek zijn broer op om te zien waar dat geklop vandaan kwam en zo keek hij zijn jongere broer in de ogen. Wat een verrassing, ja, hij was er wel blij mee, het was alleen jammer dat de afscheiding ertussen zat.

Ook al ging het moeilijk, ze konden toch nog wat ervaringen uitwisselen. De oudste broer maakte zich ook nu nog zorgen over z’n broertje, maar deze wuifde alle zorgen weg door te zeggen dat hij het enorm getroffen had: ‘al mijn vrienden en vriendinnen zijn hier, de hoertjes, de kroegbaas, ja eigenlijk iedereen en we vermaken ons best, alle drank is gratis, lekker eten en noem maar op, nee ik heb het best naar mijn zin.’

‘Maar tussen twee haakjes, wat doe jij daar in hemelsnaam met een bezem in je handen?’ ‘Nou, ja,...eh, kijk…’ begon z’n oudste broer verlegen, ‘het is hier erg groot en de boel moet schoon gehouden worden. Iemand moet het toch doen.’ ‘Hoe bedoel je, doen die anderen dan helemaal niks?’ De oudste broer keek hem vragend aan: ‘Hoe bedoel je: die anderen, welke anderen?’ ‘Nou gewoon,.. de anderen.’ ‘Nou nee,.... er zijn geen anderen, ik ben hier helemaal alleen.’ En hij nam zijn bezem weer op en veegde rustig door alsof hij zijn hele leven niets anders had gedaan.


  • Nieuw

  • Reacties