Nooteboom’s wegen

6508-nooteboom-s-wegen (Door Ronald Glasbergen)

Van Cees Nooteboom komt in 1998 het kleine grote boek ‘Terug naar Berlijn’ uit. Hij vertelt daarin hoe hij in ‘de stad van de engelen’, Los Angeles is om een stukje Berlijnse muur in te zegenen ten overstaan van een groep studenten. Het stuk puin is er als een relikwie van het kwaad heen gevlogen. Terwijl zijn wat hij noemt ‘onaantastbare woordenschat’ over het groene grasveld klinkt , voelt Nooteboom ‘hoe al die jonge hoofden om hem heen uit alle macht iets wilden denken'. Nooteboom betwijfelt of dat gaat lukken. Hijzelf denkt terug naar 1963 aan ‘de bijtende sneeuw van Midden Europees landklimaat’. De schrijver van het dunne boekje denkt wat hij toen dacht. Of wat hij toen had kunnen denken.

Wie weet nog precies wat hij een kwart eeuw eerder dacht? Nooteboom dacht er in 1963 aan wat zoiets als de Berlijnse Muur in de oudheid zou kunnen betekenen. Onze oudheid is nog maar een paar duizend jaar oud, zegt hij, waardoor er ‘iets onherstelbaar antieks kleeft aan ons doen en laten’. Hij vraagt zich af wat de Muur zou zijn in een Weense opera of in een Spaans blijspel. Salieri en Tirso de Molina, namen die zingen uit zichzelf. Hij komt erop waarom hij schrijver is geworden. Waarschijnlijk. Als schrijver, zegt Nooteboom, kan je doen wat in het echte leven niet kan: je kan zijwegen inslaan.

De schrijver zegt het er niet bij, maar hij bedoelt natuurlijk dat in het ‘gewone’ leven iedere steeg of zijstraat die je inslaat onontkoombaar de hoofdweg van je leven wordt.

Een architect, die ooit nog voor Corbusier gewerkt had, vertelde me eens een verhaal over de Tweede Wereldoorlog. De Amerikaanse gemotoriseerde voorhoedes die begin 1945 de in puin gebombardeerde Duitse steden introkken zouden de grootse moeite hebben om tussen de eindeloze puinhopen de weg te vinden. Ook de laatste straat- en richtingborden waren immers door de ijverige Hitlerjongens weggehaald. De Amerikaanse legerstaf vond daar een eenvoudig effectief antwoord op in de vorm van een kaart met een simpele rechte lijn erop met aan weerszijden alle zijstraten en afslagen die niet genomen moesten worden. Als er bij een plein zes straten uitkwamen drie rechts, één links en één rechtdoor en de te kiezen rijrichting moest linksaf zijn, dan stonden vier streepjes aan de rechterkant van de rechte lijn. De navigator hoefde dan alleen vier straten af te tellen om de goede richting te pakken. Dus ook al was de echte route die ze moesten rijden een dronken zigzag op de kaart was het op de ‘kaart’ altijd een rechte lijn. Voor noodgevallen moest je wel een kompas bij je hebben want als je eenmaal een fout maakte, moest je wel de weg terug kunnen vinden.

Een zijweg in ‘Terug naar Berlijn’ brengt Nootenboom op de uiteenlopende meningen van schrijver Marcel Proust en criticus Charles Augustin Sainte Beuve. Bij Sainte Beuve ging het niet alleen om de boeken maar juist ook om de maker. Om de kunstenaar te kennen moest je volgens hem ook zijn leven erbij betrekken. Marcel Proust was het daar totaal niet mee eens. Bij een kunstenaar had je genoeg aan het werk. Of de kunstenaar het dan met iedereen deed, of juist niet, maakt helemaal niets uit. Dat is privé en misschien leuk om te weten, maar je werd geen klap wijzer over het werk. Proust vond Sainte Beuve dan ook een maffe dweper. Proust schreef er een boekje over: 'Tegen Sainte Beuve'. De titel liet geen misverstand bestaan over de inhoud. Sainte Beuve was bij het verschijnen van het boekje overigens al dood.

Nooteboom voelt zich meer Proustiaan. Hij heeft een hekel aan wat hij noemt ‘etalagecultuur’. Je moet niet de maker in de vitrine zetten maar het werk zelf. 1998 of zo, het jaar waarin Nooteboom dat in ‘Terug naar Berlijn’ schreef, lijkt nu al een eeuwigheid geleden. Daarna kwamen de sociale media. Ook in de etalages van Facebook, Instagram, en YouTube wordt elke zijweg al snel de hoofdweg. Een goeie routekaart of -bij gebrek daaraan- zo maar dat boekje van Nooteboom uit 1998 is dan best handig.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Militairen ‘blauw ‘ op straat


Gratis ochtendkrant Metro kopte gisteren:
‘Politie zal straks ‘nee’ moeten zeggen’.
En: De werkdruk bij de politie is zo hoog,
dat het aantal overtredingen van de
Arbeidswet dit jaar zal uitkomen op 200.000.

Gevolg: Politiemensen stukken minder gemotiveerd,
te hoge werkdruk leidt tot stress, burn-outs en
aantal ziekmeldingen onder onze wethandhavers
neemt alarmerende vormen aan.

Met nu zo’n 1100 nieuwe agenten erbij en dure
langdurige opleidingen, blijft het landelijke
Nationale Politiekorps dweilen met de kraan open.

Interview met hoofdagent: ‘Wat je alleen wel ziet,
Is dat de burgers langer moeten wachten op een
aangifte die ze hebben gedaan. En ze zullen minder
blauw op straat zien?’

Nog minder blauw op straat? Nog langer wachten
voor de burgers op aangiften? Kan het nog gekker.

De misdaad, zeker de zware criminelen tieren
tegenwoordig zo welig als nooit te voren. Gelegenheid
maakt de dief. Pakkansen steeds kleiner, de
veiligheid op straat en in het verkeer nemen
intussen eveneens alarmerende vormen aan.

Waarom op korte termijn geen militairen tijdelijk
betrekken als noodagent nu de nood het hoogst is.
Wat doen militairen eigenlijk in vredestijd?
Oefenen in de kazerne, in het bos, op het strand
En waarom dus niet direct op straat en in het verkeer?

Met zeer effectieve korte opleidingen tot agent, overal
direct inzetbaar, van terrorismebestrijding tot
invallen bij zware criminelennesten.

Simpel zolang de nood het hoogst is tijdelijk
met een het wisselen van een
groen naar een ‘blauw’ uniform. Met daarbij een
besparing van honderden miljoenen euro’s.

En anders, Opstelten zei het al in alle toonaarden:
'Blauw op straat,
meer blauw op straat,
nog meer blauw op straat.’

Allemaal, allemaal, hartstikke blauw op straat!


Jim Postma.

  • Nieuw

  • Reacties