De dijken blijven

6461-de-dijken-blijven (Door Frank Drion)

Hoe komt zo’n man er an? Enkele lezers hebben zich afgevraagd en ook te kennen gegeven, dat die slotregel - over de dijken - onder mijn column voor hun onbegrijpelijk, of in ieder geval onnodig is. Dat leg ik u graag een keertje uit. Anderen vragen zich af, waar hebben ze het over? Waar maken ze zich druk over? Nou daar komt het: ik heb enkele jaren achter een dijk gewoond en vroeg mij vaak, bij heel hoog water en bij een storm als kort geleden, af: “houden we het hier wel droog?” Ook sprak ik ervaren ‘Hoogheemraders’, die mij vertelden dat de dijken een continue zorg vergen. Vandaar mijn interesse.

“Daar heb je ‘m weer met z’n dijken”

Je kan zo’n slotregel gewoon steeds op een andere manier doen. Ik heb echter gekozen voor een steeds terugkerende literaire vorm. En ik moet zeggen ik ben echt niet de enige. Marian Thieme van de Dierenpartij heeft de volgende variant bedacht: ”Voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie”. Waar komt het uiteindelijk vandaan? De Romeinse senator Cato Maior, die leefde van 234-149 voor Christus, sloot iedere redevoering af met de volgende frase: ”Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden”. De strekking van deze uitspraak is dat dingen die belangrijk zijn voortdurend herhaald moeten worden. Wie in de publieke zaak iets wil bereiken zal te pas en te onpas zijn boodschap moeten herhalen Tenminste volgens Wikipedia. Gezien mijn obsessie met de dijken leek mij het een goede slotzin. Die overigens blijkt aan te slaan, want ik wordt op straat wel eens aangeroepen met ”pas op de dijken”. Het blijft wel hangen, denk ik dan. Het leek mij leuk om de lezers even uit de doeken te doen, waarom ik ze steeds ‘verveel’ met deze slotzin: Overigens blijf ik van mening dat de dijken versterkt moeten worden.

frank@drion.info

jim postma :
Even een technisch nieuwtje hier tussendoor. Omdat er nog steeds reacties bleven binnenkomen op mijn verhaal onder de kop: Een gek veroorzaakt mediahype' (nu inmiddels weer van ons scherm verdwenen) heb ik het onder zoeken (zie kolom helemaal onderaan) met allerlei codes en sleutels geprobeerd. Tevergeefs!

Het staat echter (met nieuwe reacties onder meer van Hans Roodenburg) onder het blokje helemaal boven in: Opinie. Dacht dat het goed was aan Jeroen en Jan door te geven.
Maar als hiermee de discussie gesloten is, vind ik het ook goed!

vrijdag 31 maart 2017

Hans Roodenburg :
Ik ken een oud-collega van De Telegraaf die altijd pleit voor hogere dijken, gebaseerd op zijn ervaringen als verslaggever.

vrijdag 31 maart 2017

Jim postma :
Het is altijd beter om te 'dijken', dan om teveel te zeiken!

Immers, hoe meer gezeik, hoe hoger de dijk...@@@

vrijdag 31 maart 2017

Jeroen Waardenburg. :
Overigens blijf ik van mening dat de dijken versterkt moeten worden.CITAAT.


En gelijk heb je.

vrijdag 31 maart 2017

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Nagekomen Pinksterverhaal

(door Torcque Zaanen)

Er waren eens twee broers. De oudste, een harde werker, fanatieke kerkganger, geen slecht woord over te zeggen. Zijn broer daarentegen zoop als een ketter, hoerde en snoerde, werkschuw, en deed alles wat God (of de priesters) verboden hadden. De oudste broer waarschuwde de jongste dat als hij zo door zou gaan, hij nog eens in de “Hel” zou komen. De jongste lachte hem dan alleen maar uit.

Op een dag was het zover. Na het drinken van z’n laatste borreltje werd de koets geprepareerd om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden die, gezien zijn levensstijl, niet meer en niet minder dan de “Hel” betekende. Na enkele jaren in de “Hel” doorgebracht te hebben besloot hij op een dag wat verkoeling te zoeken en de benen te strekken. Na een kleine wandeling kwam hij bij een stenen muur die volgens zijn gevoelens weleens de scheiding tussen “Hemel” en “Hel” zou kunnen zijn.

Bij nader onderzoek ontdekte hij zowaar een stoffig raampje. Hij maakte het schoon en toen hij er doorheen kon kijken, kreeg hij bijna een hartstilstand. Het leek het er even op dat hij voor de tweede keer de kraaienmars zou blazen. Want wat zag hij daar, door dat smoezelige raampje... ja, z’n oudste broer, de broer die altijd zo netjes was geweest, hard gewerkt had, altijd trouw naar de kerk ging, die broer stond daar met een bezem in z’n handen, bezweet als een otter de grond te boenen.


Om de aandacht te trekken van z’n broer klopte hij met een rond slingerende bierfles zo hard hij kon op het raampje. Als bij toeval keek zijn broer op om te zien waar dat geklop vandaan kwam en zo keek hij zijn jongere broer in de ogen. Wat een verrassing, ja, hij was er wel blij mee, het was alleen jammer dat de afscheiding ertussen zat.

Ook al ging het moeilijk, ze konden toch nog wat ervaringen uitwisselen. De oudste broer maakte zich ook nu nog zorgen over z’n broertje, maar deze wuifde alle zorgen weg door te zeggen dat hij het enorm getroffen had: ‘al mijn vrienden en vriendinnen zijn hier, de hoertjes, de kroegbaas, ja eigenlijk iedereen en we vermaken ons best, alle drank is gratis, lekker eten en noem maar op, nee ik heb het best naar mijn zin.’

‘Maar tussen twee haakjes, wat doe jij daar in hemelsnaam met een bezem in je handen?’ ‘Nou, ja,...eh, kijk…’ begon z’n oudste broer verlegen, ‘het is hier erg groot en de boel moet schoon gehouden worden. Iemand moet het toch doen.’ ‘Hoe bedoel je, doen die anderen dan helemaal niks?’ De oudste broer keek hem vragend aan: ‘Hoe bedoel je: die anderen, welke anderen?’ ‘Nou gewoon,.. de anderen.’ ‘Nou nee,.... er zijn geen anderen, ik ben hier helemaal alleen.’ En hij nam zijn bezem weer op en veegde rustig door alsof hij zijn hele leven niets anders had gedaan.


  • Nieuw

  • Reacties