Lelijke gebouwen 2

6013-lelijke-gebouwen-2 (Door Ronald Sørensen)
Een schitterende reis over de Donau op weg naar Dunaujvaros, waar we een lading gerst bij de plaatselijke brouwerij moesten afleveren.
Daar aangekomen kwam al snel een beambte van de brouwerij aan boord die monsters van het graan nam. Na enige tijd kwam hij hoofdschuddend terug en in een gebrekkige combinatie van Duits en Engels maakte hij duidelijk dat er volgens hem water in het ruim was gekomen: het gerst was gaan kiemen.

,,Onmogelijk,” brieste de schipper en hij wilde graag het ontkiemende gerst zien. De beambte bleef hoofdschudden.
,,Misschien wil hij een paar forint,’’ opperde ik, nog bekend met de gebruiken in het voormalige Oostblok.
,,Daar ga ik gvd helemaal niet aan beginnen,” brulde de schipper woest het kantoortje inlopend, waaruit hij even later naar buiten kwam met een man die wel Duits sprak.


Iemand die klaarblijkelijk de truc van zijn collega kende, want na een korte inspectie gaf hij het sein dat het ruim met een kleine elevator geleegd kon worden. Het zou - waarschijnlijk door het niet geven van een fooi - zeker twee dagen in beslag nemen zodat we de tijd hadden.
’s Avonds gezellig kletsen en bier drinken; we lagen per slot van rekening bij een brouwerij. Uiteraard moesten we regelmatig de blazen legen en dat deden we, zoals mannen betaamd, over ‘de muur’.

Terwijl we zo midden in de nacht stonden te plassen hoorden we twee vogels met elkaar wedijveren in schitterend gezang. ,,Hé bioloog mooi hè. Wat voor een vogels zijn dat?” vroeg mijn natuurkunde collega. Ik keek in het donker in zijn richting en zei: ,,Moeilijk hoor…,’’ maar voor ik mijn zin kon afmaken hoorde ik al dat ik een bioloog van ‘lik mijn vestje’ was.
,,Nog even luisteren,” zei ik en ging op de rand van het ruim zitten. ,,Probeer het zelf ook eens. Het is de enige vogel die zingt in de nacht en is vernoemd naar die eigenschap. ‘Nachte….vinken’ of ‘nachte….mezen’. Wat denk jij dat het zijn?”
Een paar seconden staarde mijn collega in het duister en liep daarna ‘klein kind’ mompelend de woning weer binnen.

De volgende ochtend naar de stad Dunaujvaros. De schipper waarschuwde ons: ,,Heel veel lelijke gebouwen, ”
De bushalte was vlak bij de brouwerij. ,,Centrum Stadt?” vroegen we; dat kon en het kostte slechts een paar forint. We wilden betalen met een billet van honderd maar daar had de chauffeur niet van terug.

Een patstelling, want wij wilden de bus niet uit: We hadden immers geld. De passagiers gingen zich er ongeduldig mee bemoeien, maar opeens verscheen een andere matroos die voor ons betaalde (collega’s onder elkaar).
Gelaten liet hij de dankbetuigingen over zich komen; achteraf bleken zijn kosten ongeveer veertig cent te bedragen, maar dat deed er niet toe. Het ging om het gebaar.

Na een half uur verschenen er aan weerszijde gebouwen die er uit zagen als de flats in Overschie Oost; alleen zonder ook maar een likje verf. De schipper had niets teveel gezegd: Troosteloosheid in optima forma. De bus stopte en de chauffeur draaide zich om en riep ,,Centrum Stadt. Stadtmitte.’’

Daar stonden we verlaten op een kruising vol oerlelijke gebouwen. ,,Zou ie ons nou belazerd hebben?” opperde één van mijn collega’s.
,,Laten we daar maar vragen,” zei een ander wijzend op iets dat het midden hield tussen een havenkantine en een supermarkt.
Binnengekomen bleken we inderdaad midden in het centrum van het ‘sprankelende’ Donau-stadje te zijn beland. ,,Goh Sör, hier staat je naam,” hoorde ik zeggen en inderdaad stond mijn roepnaam op het papiertje dat voor menu moest doorgaan. ,,Ik neem het,” zei ik en het bleek een goede keuze: Bier!

De volgende dag met de bus naar Boedapest, alwaar we veel gezien en gelopen hebben. Tegen het einde van de dag besloten twee van ons snel hun consumptie te ledigen om de laatste bus te halen. Een andere collega en ik besloten gewoon in de ‘Sörbar’ te blijven hangen en nog een ‘Sör’ te nemen. We namen een half uur later wel een taxi.

Die taxi bracht ons in een rap tempo naar de boot, waar we net voor de anderen aankwamen. Zij hadden mazzel gehad, vertelden ze. De bus was zo vol, dat ze niet hadden hoeven betalen. Glimlachend vertelde wij, dat de taxi ook heel goedkoop geweest was. Van het biljet van 100 forint hadden we veel biljetten terug gekregen.

Alleen toen we in het licht van de roef op die biljetten keken bleken er hamers, sikkels, wapperende rode vlaggen en lelijke gebouwen op te staan, terwijl het communisme toch al jaren geleden was afgeschaft.

,,Een stom vogeltje kan je beter herkennen dan een bankbiljet,’’ meesmuilde mijn collega.
Beschaamd gaf ik het toe.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Trouwringen bij caféruzie

(Door Jim Postma)

Tijdens mijn inmiddels duizenden cafébezoeken in deze stad maakte ik heel wat caféruzies mee. Koning Alcohol was en is daarin meestal de boosdoener. Zo was ik ooit getuige dat in ons bekend café ‘De Schouw’ aan de Witte de Withstraat een barbaarse ruzie ontstond over een gokautomaat. Een toen nog jonge collega van mij, Piet Koster van Het Vrije Volk, werd in het conflict door een brute dronkenman neergeslagen. Met een bloedend gezicht lag hij op de grond.

Pas later bleek dat die lafhartige klap (onze Piet kon zich amper of niet verdedigen) zijn grootste geluk ter wereld werd. Op de gokkast zelf won hij namelijk - zoals zo velen - amper wat of niets. Toen hij op dat moment uitgestrekt lag, ontfermde zich een onbekende schone jonge dame over hem. Zij hielp hem overeind en verzorgde zijn wonden. Het werd liefde op het eerste gezicht. Piet en Vera trouwden later met elkaar, kregen kinderen en het werd tot in de lengte van dagen één groot stralend huwelijk…

Na die gemene rot klap heeft Piet overigens nooit meer op een gokkast gespeeld. Zo wijs was hij wel. Liefde en geluk zijn namelijk nooit te winnen op zo’n duivelse, vaak verslavende, kast. Inmiddels is mijn goede collega van destijds, dus Piet Koster, al weer enkele jaren geleden overleden.

Kemphanen
Recent was ik weer getuige, nu in café Centraal aan de Zwartjanstraat, van zo’n onbenullige caféruzie. Toevallig zat ik met mijn barkruk tussen de twee kemphanen in. Het ging om een gepensioneerde zwaarlijvige slager en een gesjeesde filosoof met een grote grijze bromsnor. De aanleiding van de barruzie was de leesbril van de overigens homofiele slager. Vervolgens gingen zij elkaar uitmaken voor ‘rotte vis’, zoals je ziet in de strips van Astrix en Obelix.

In hun scheldkanonnade werd zelfs God meerdere malen vervloekt. Totdat barkeepster Yvonne de boel probeerde te sussen door te zeggen: ‘God bestaat helemaal niet!’

De beide kemphanen werd hierdoor even de mond gesnoerd. Toen zei Yvonne: ‘God zit in jezelf..’ De filosoof dacht even na en zei toen aarzelend: ‘O, Die zit dus in je hersenen.’

Waarop de slager opnieuw begon met: ‘Dan zit Die zeker niet in jou. Want jij hebt helemaal geen hersenen!’

Nu ontplofte de filosoof tegen de slager, met: ‘Weet je wat jij bent hè. Een vuile vieze ruige varkenspoot.’

Op dat moment stond ‘Ruud de glazenwasser’ op. Een krachtpatser met het figuur van Jerommeke uit Suske en Wiske.

Onderweg naar de café-uitgang sprak hij vredelievend met zijn bekende gulle lach:

‘Heren, heren toch! Ben zo weer terug. Ik ga even twee trouwringen voor jullie halen!’


  • Nieuw

  • Reacties