Binnenvaart

5972-binnenvaart (Door Ronald Sørensen)
Door een merkwaardige samenloop van omstandigheden ging een aantal van de zeilende collega’s vrijwel ieder voorjaar met een binnenvaartschip mee om te bridgen en matroos te spelen.
De binnenvaartschippers vonden dat ook een leuke afwisseling en zagen de mogelijkheid om hun vrouw of matroos een weekje vrij te geven. Een mooie symbiose dus.
Doordat we ieder jaar een ‘het blauwe boekje’ - een werkboekje voor de binnenvaart - lieten aftekenen verkregen we spelenderwijs de officiële rang dekknecht en later die van matroos.

De grote vakantie was net begonnen toen ik werd gebeld door een bevriende schipper. ,,Zou je me uit de brand willen helpen,” vroeg hij. Zijn matroos bleek boos van boord te zijn gegaan en hij lag in de buurt van Duisburg met kolen een paar mijl voor een centrale. ,,Op contract,” vertelde hij me ,,dus ik moet leveren om een boete te voorkomen. Jij hebt vakantie, dus kan je hierheen komen rijden?”


Ik besprak het met Nel, pakte de auto (kan met een autokraan op het dak van de roef) en binnen een paar uur zat ik aan boord. ,,Ik wil geen gage,” zei ik, ,,maar ik speel ook niet de matroos. Ik help je bij afvaren en aanmeren: Dat is alles.” De schipper die een beetje ‘op de penning’ was, vond het allang goed.
Bij het lossen: Een kraan met een knijper en een klein veegwagentje in het ruim, ging het bij de laatste kolen mis. Ze vielen op de roef.
,,Godver,” vloekte de schipper, zo gaat het hier altijd.”

Op de terugreis vroeg hij me om nog een reisje te maken, omdat zijn matroos ondertussen nog niet tot bezinning was gekomen. Ik zei dat graag te willen doen op voorwaarde dat hij Nel ook zou oppikken.
Dat kon en een dag later kwam Nel onder de Van Brienenoordbrug aan boord.

Opgewekt over zo’n nieuw avontuur inspecteerde ze ons tijdelijke verblijf in de achter-woning. Het viel haar duidelijk 100% mee. ,,Dat ruim is inderdaad erg groot,’’ zei ze even later op het dek grinnikend refererend aan een bijzonder kinderachtig voorval, dat mijn collega’s haar ooit - met foto’s in de hand - verteld hadden.

Ze hadden het jaar daarvoor de schipper aangeboden de bodem van het schip met grote bezems te witten! Ik weigerde mee te doen, omdat ik een bloedhekel aan verven heb en ging aan de wal met de schipper. Toen we terugkwamen waren mijn collega’s niet in het ruim bezig, maar lagen hun buik vasthoudend over het gras te rollen van de lach.

Naast het schip stonden nieuwgierige passanten met vraagteken gezichten in het ruim te kijken. De schipper en ik keken ook en zagen met letters van ongeveer vijf meter op de bodem van het ruim staan: ‘SØR IS GEK’.
Mijn opmerking, dat ze volwassen mannen met een verantwoordelijke baan waren, die de leeftijd van 10 jaar allang waren gepasseerd, was alleen maar olie op het lachvuur.

Het ruim was niet lang wit gebleven, constateerde Nel, terwijl we op weg gingen naar de Maasvlakte voor een nieuw lading kolen. Bij het vastleggen hoorde ik, dat we de volgende dag om zeven uur al gingen laden, zodat er half zeven al verhaald moest worden. Nel lag nog lekker te knorren, toen ik aan dek ging om te helpen.

Het laden met een lopende band startte bijna direct. Ik was toch uit bed en bleef op een afstandje staan kijken, terwijl de schipper zich in de stuurhut over de papieren boog. Toen het schip bijna vol was, ging de deur van de achter-woning open en wilde Nel naar buiten stappen. Nog net op tijd kon ik ‘r met een schreeuw ,,naar binnen,” van haar voornemen afhouden.
Eenmaal binnen legde ik uit dat in een wit trainingspak kijken naar het laden van kolen geen goed idee was. Bij het wegdraaien van de ‘kolenband’ kwam weer een lading kolen over de roef van de vloekende schipper.*
Ik maakte los en ging weer terug naar mijn kooi, terwijl Nel – ondertussen omgekleed - in de stuurhut bij de schipper ging zitten.

Na een uur of twee kwam ik uit mijn kooi en nam een kop koffie. We voeren door het Hartelkanaal zag ik. Terwijl ik zat te drinken, liep de schipper met zijn bezem door het gangboord. Eerst drong het niet tot me door, maar toen begreep ik het, dronk mijn koffie op en ging naar het dek.
De schipper keek me aan en zei: ,,Nel leert snel.”
Ik klom naar de stuurhut, waar Nel achter het roer zat. Een joystick. Glimlachend zei ze, naar het kleine stickje wijzend: ,,Dit is veel makkelijker dan onze helmstok.”

* In Duisburg zag ik voor we aanlegden, dat een andere schipper een treetje bier op de kade zette voor het havenpersoneel. Ik opperde de schipper dat hij dat toch ook eens moest proberen: Genoeg bier in voorraad. En inderdaad geen kolen over de roef!

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Ziel

“Op het einde van zijn leven, kon mijn vader niet meer communiceren, maar hij kende wel hele stukken poëzie uit het hoofd die hij opzegde terwijl we ze hem voorlazen. Je zag hem dan even weer oplichten. Anderen hebben dat met muziek of schilderkunst. Ik heb het talloze keren zien gebeuren en iedere keer was het diep ontroerend.”

Nicci Gerrard in een interview met Marnix Verplancke.

https://bazarow.com/

(van de redactie)


  • Nieuw

  • Reacties