Kermende oesters

5774-kermende-oesters (Door Ronald Sørensen)
De Franse keuken was één van de redenen waarom mijn vrouw en ik het liefst langs de Franse kust zeilden. Ieder restaurant heeft wel een toeristenmenu en die zijn meestal goed en goedkoop, omdat de concurrentie moordend is.

Het vervelende van onze zeilvriend was, dat hij eigenlijk niet zo van eten hield. Zijn redenatie was eenvoudig. Je eet om energie te krijgen en wat je eet doet er niet zo toe: Zo’n beetje als benzine tanken.
Dat eten moest eigenlijk ook zo snel mogelijk gebeuren, terwijl Nel en ik er toch over het algemeen enkele uren voor wilden uittrekken. Niet dat het veel fricties gaf, want het gezellig aan tafel kletsen beviel hem enorm, alleen het eten was en bleef voor hem een irritant intermezzo.


Bij het bestellen van het eten namen we ook het liefst een menu, omdat die in drie gangen werden opgediend. Bij dagschotels had hij wel eens de neiging alles door elkaar te husselen.
,,Ik heb nou eenmaal geen smaak, dus wat maakt het uit. Mijn smaakpapillen zijn onderontwikkeld, so what?” Dat had kunnen kloppen ware het niet dat hij wel diverse soorten jenever zeer goed uit elkaar kon houden.
Dus gewoon onverschilligheid of een eigenschap, die hij zich als jongste van een arm groot gezin had aangepraat.
,,Soms moesten we een gekookt ei met zijn vieren delen,” vertelde hij eens toen hij tot mijn verbazing plotseling uit mijn salade een stukje gekookt ei viste.

Toch deed zijn eetgewoonte, een lekker stukje vlees of een stukje vis voor het laatst te bewaren, vermoeden dat hij wel smakelijk kon eten. Die eigenschap van het bewaren van iets lekkers tot het laatst heeft hij vaak moeten bezuren, omdat het me iedere vakantie lukte het minstens een keer van zijn bord te stelen.

Een zin als: ,,Ongelooflijk hoe iemand er zo uit kan zien,” of: ,,Nou dat is ook moeders mooiste niet,” deed hem omkijken en…. weg zijn laatste stukje, dat ik smakelijk voor zijn ogen in mijn mond stak.
Zijn reactie: ,,Oh, oh, oh, wat ben je toch een klein kind,” klonk me als muziek in de oren.

In Vannes namen Nel en ik een ’Fruit de Mer’ die ons op diverse plateaus werd geserveerd. Onze vriend keek het tafereel enigszins misprijzend aan. ,,Ongelooflijk, dat je dat eet. Dat zijn levende en dus rauwe dieren,” merkte hij op, toen we gretig aan de oesters begonnen te slurpen. We lieten ons plezier niet bederven en gingen rustig verder met smullen, ondanks het feit dat hij zijn hamburger met frites allang ophad.
,,Zeik niet en pak lekker een biertje man,” was mijn reactie na zijn aanmoediging aan ons om een beetje op te schieten.
Pas toen de laatste lege schalen op het bord ’met narigheid’ viel, zoals hij onze zeevruchten noemde, buikten wij tevreden uit en schonken hem enige aandacht.
,,Ik stel voor vannacht te ankeren en nu naar de boot te gaan, omdat het tij gunstig is en dat ons nu nog een eind op weg kan helpen,” stelde hij voor en de kapitein heeft altijd gelijk.
We gingen naar de boot, maar niet voor we een dozijn oesters gekocht hadden bij een kraampje aan de haven. ,,Voor morgenmiddag met een ’chablietje’ legde we uit.

Na twee uur met de ebstroom mee kwam de kentering en legden we vast aan een mooring (soort boei om vast te leggen). Nadat de zeilen opgedoekt waren schoven we de oesters in een teiltje vlak tegen het roer en pakten een drankje.
Al gauw ontspon zich zoals altijd een geanimeerd gesprek, tot we een klagend, kermend geluid hoorden vanuit het teiltje met oesters. Gebiologeerd luisterden we en vroegen ons af wat het zou zijn.
,,Dat geluid komt van de wal,’’ zei ik, maar onze zeilmaat wist na enig zoekwerk waar het geluid vandaan kwam. ,,Het zijn die oesters Sör,” constateerde hij.

,,Doe gewoon man. Pratende oesters. Wat heb je gedronken vandaag?”
,,Nou luister dan,” was zijn antwoord. ,,Oesters hebben geen stembanden intellectueel,” zei ik, maar toen hij weer riep: ,,Je hoort het toch,” moest ik hem gelijk geven.
Het gekreun en gekerm hield aan. ,,Die beesten gaan jullie niet opeten. Die smeken om hun leven,” riep mijn maat.

Ik, docent biologie, had echter geen verklaring voor het geluid en om hem gelijk te geven zei ik hoofdschuddend naar het oesterteiltje: ,,Nou vooruit dan maar, jullie hebben het verdiend,” en kieperde ze terug in het water.

Na ongeveer een minuut steeg vanuit het roergat een bekend klagend geluid op. ,,Ga dat roer toch een keer een beetje olie geven,” zei de triomfantelijk lachende kapitein.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Nolet Distillery als bezoekersattractie

(door Kees Versteeg)

Nolet is een familiebedrijf met een rijke historie. Het bedrijf bestaat al sinds 1691 en ondertussen is de elfde generatie aan zet.

Nolet is meer dan de beroemde kolengestookte distilleerketel nummer 1. Fraai aan het bedrijf is niet alleen het bewaren van het ambachtelijk erfgoed, maar ook de ultramoderne logistiek. Vanuit de bottelhal loopt onder de Buitenhaven een tunnel naar o.a. een volledig geautomatiseerd magazijn. Nolet oogt zoals heel Schiedam zou moeten ogen: historische enerzijds, hypermodern anderzijds.

In bijgaande video leidt Bob Nolet, zoon van Carel Nolet, ons rond in de Schiedamse distilleerderij.

PS: onthoud ook het prachtige woord ‘engelendeel’: het deel jenever dat verdampt in het eikenhouten fust. Dat deel moet vastgesteld worden teneinde er geen accijns over te hoeven betalen.

https://www.youtube.com/watch?v=bpAMenG0cUA


Nolet is elke werkdag op afspraak te bezoeken voor een rondleiding.

Zie https://www.noletdistillery.com/nl/welkom

Foto 1: noletdistillery.com

Foto 2: tunnel onder de haven - boele.nl

  • Nieuw

  • Reacties