Adel

5753-adel (Door Jean Pierre Rawie)
In een levensbeschrijving van Johan Huizinga (1872-1945) betoont de auteur zich, geheel afgezien van diens andere voortreffelijke eigenschappen, getroffen door zijn bescheidenheid; de wereldberoemde geschiedkundige had namelijk verklaard dat hij stamde ‘uit een Gronings boerengeslacht’.
Door zulks voor een uiting van eenvoud aan te zien, verraadt de biograaf niet uit het noorden des lands te komen. Anders zou hij hebben geweten dat met deze afkomst hier ongeveer het hoogst denkbare wordt aangegeven.
De Huizinga’s woonden eeuwenlang op de plaats Melkema te Huizinge (het woord zegt het reeds), en deden in trots niet onder voor de oudste adel.


Nadat mijn vader, nauwelijks de collegebanken ontwassen, tijdens de oorlog beroepen werd als mennonitisch predikant in Noordhorn, raakte hij al snel bevriend met de voorzitter van de kerkenraad, een herenboer die Gaaikema heette (inderdaad een oom van Seth).
Op een gegeven ogenblik ontdekte mijn vader bij zijn genealogische speurwerk een grafmonument waarop naast die van baron Rengers ook de naam Gaaikema te lezen stond.
Desgevraagd zette zijn vriend de zaken recht door nonchalant te antwoorden: ,,Ach ja, de Rengers’n begraav’n hun dood’n teeg’nwoordig ook in ’t familiegraf.”

Mijn moeder had aanvankelijk eveneens enige moeite het hoogheidsgevoel van de Groningse landslieden te doorgronden. Op een wandeling door het veld trof ze een boerin, van wie ze, omwille van de conversatie, nogal achterlijk wilde weten of dit haar land was.
Zonder te verblikken zei de vrouw: ,,Zo wied joe zain kenn’n, ’t is ál van mie.” De kalme zekerheid waarmee die woorden gesproken werden, was tekenend voor het totale gebrek aan twijfel dat de ware aristocratie kenmerkt.

Het recht iemand in de adelstand te verheffen berust uitsluitend bij het staatshoofd, dat dat echter niet meer heeft gedaan sinds 1939, behalve in de eigen familie.
Al die burgermeisjes, of ze nu een voormalig gangsterliefje zijn of een Zuid-Amerikaans feestbeest, worden terstond prinses wanneer ze met een Oranjetelg trouwen.
Daar is niets tegen, maar het steekt schril af bij de halsstarrigheid waarmee verdere uitbreiding van de tweede stand wordt tegengehouden.

Ons koningshuis heeft nu eenmaal altijd meer gedongen naar de gunst van het gepeupel dan dat het op de elite steunde. Over koningin Wilhelmina las ik in Hoog geboren, het leerrijke boek dat Ileen Montijn over dit onderwerp schreef, dat zij een geschikte kandidate voor een hof-functie afwees met de woorden: ,,Die is van adel, die moet ik niet.”

Dat het paradoxaal is een koningshuis te hebben, maar geen noblesse meer te verlenen, is ten paleize kennelijk bij niemand doorgedrongen. Onze huidige vorst zou daarin moeiteloos verandering kunnen brengen, wat hij vast zou doen als iemand hem bijvoorbeeld vertelde dat hij dan al zijn geliefde sportlui naar believen kon verheffen. Markiezin Kromowidjojo! Dat zou bij het volk stellig in goede aarde vallen.

En hoe veelzeggend zou een weigering niet zijn, waarmee je impliciet aangeeft dat je eigenlijk veel te deftig bent om adeldom uit handen van zo’n Oranje op prijs te stellen. Het verhaal gaat dat een aantal Groningse boerengeslachten door de eeuwen heen elke titel heeft afgewezen.

R.Sörensen :
Op het TVWO had ik een leerlinge, waarvan we pas bij het invullen van de cijferlijst haar officiële naam zagen. Ze bleek barones te zijn, maar heeft dat zes jaar lang op geen enkele manier laten weten!
Dat is dus echte klasse

maandag 26 okt 2015

Graaf Johannes, heer van Carnisselande en rentenier van Koedood :
Ik kan heel kort zijn "stop met die flauwekul" Het gehele idee van deze "boven ons gestelden" is uit de tijd.
Verleen geen nieuwe titels en laat bestaande eindigen bij de door versterving behoudens de titels Prins Carnaval en Prins Pils.

maandag 26 okt 2015

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Ziel

“Op het einde van zijn leven, kon mijn vader niet meer communiceren, maar hij kende wel hele stukken poëzie uit het hoofd die hij opzegde terwijl we ze hem voorlazen. Je zag hem dan even weer oplichten. Anderen hebben dat met muziek of schilderkunst. Ik heb het talloze keren zien gebeuren en iedere keer was het diep ontroerend.”

Nicci Gerrard in een interview met Marnix Verplancke.

https://bazarow.com/

(van de redactie)


  • Nieuw

  • Reacties