COLUMNS

‘De plofkip’

3949-de-plofkip
(Door Jim Postma)

Mijn buurman Ruud komt opgewonden de verkeersweg overgestoken, richting ons terrasje. Daar zitten wij met vijf man wat na te genieten van de nazomerzon. Ruud wordt zo wat voortgetrokken door zijn oersterke Amerikaanse buldog ‘Daniel’. Onder zijn rechterarm draagt hij een kartonnen doos. Die zet hij even later voor onze neus op de terrastafel.

Lees verder

Nimmer meed ik Timmer (3)

3876-nimmer-meed-ik-timmer-3
(Door Geert-Jan Laan)
Op 28 februari 1989 werd mijn oudste zoon Michiel 20. Hij vierde die verjaardag op een zaterdagmiddag op zijn nieuwe ka[...]

‘Ik val aan…’

3945-ik-val-aan
(Door Jim Postma)
Naarmate je leeftijd stijgt, nemen begrafenissen en crematies om je heen toe. Vorige week vertelde ik dat een oude beke[...]

‘De palingboer’

Café Timmer aan de Oude Binnenweg wordt zo langzamerhand het meest bizarre stamcafeetje van heel Rotterdam. Nooit muzi[...]

Nimmer meed ik Timmer (2)

Nog maar even een aantal uitspraken, dialogen en andere conversaties die al jaren in café Timmer worden en werden geho[...]

‘Undercover’

Een politieman heeft het aan de stok met een boze automobilist. Een dagelijks tafereel in heel Rotterdam. Dit keer staa[...]

‘Toverbos’

Het Kralingse Bos zit vol met verrassingen. Elke keer als ik de vijf kilometer eromheen loop, ontdek ik weer iets nieuw[...]

Kip of kop (2)

(vervolg van vorige week) Het nieuws op het platteland gaat vaak veel sneller dan in de grote stad. Inmiddels was[...]

Kip of kop (1)

Op het eiland Goeree Overflakkee ligt een klein paradijsje dat haast niemand nog kent. Gecreëerd in vijf jaar tijd doo[...]

Hanenkam

Aangekomen via de metro bij het Zuidplein loop ik naar de streekbushalte nummer 136 richting Stellendam. Bij de halte t[...]

Nimmer meed ik Timmer

Het moet gezegd worden. Het was Henk Donia die mij als piepjong journalist café Timmer aan de Rotterdamse Oude Binnenw[...]

Social media

KOPSTOOT

Nagekomen Pinksterverhaal

(door Torcque Zaanen)

Er waren eens twee broers. De oudste, een harde werker, fanatieke kerkganger, geen slecht woord over te zeggen. Zijn broer daarentegen zoop als een ketter, hoerde en snoerde, werkschuw, en deed alles wat God (of de priesters) verboden hadden. De oudste broer waarschuwde de jongste dat als hij zo door zou gaan, hij nog eens in de “Hel” zou komen. De jongste lachte hem dan alleen maar uit.

Op een dag was het zover. Na het drinken van z’n laatste borreltje werd de koets geprepareerd om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden die, gezien zijn levensstijl, niet meer en niet minder dan de “Hel” betekende. Na enkele jaren in de “Hel” doorgebracht te hebben besloot hij op een dag wat verkoeling te zoeken en de benen te strekken. Na een kleine wandeling kwam hij bij een stenen muur die volgens zijn gevoelens weleens de scheiding tussen “Hemel” en “Hel” zou kunnen zijn.

Bij nader onderzoek ontdekte hij zowaar een stoffig raampje. Hij maakte het schoon en toen hij er doorheen kon kijken, kreeg hij bijna een hartstilstand. Het leek het er even op dat hij voor de tweede keer de kraaienmars zou blazen. Want wat zag hij daar, door dat smoezelige raampje... ja, z’n oudste broer, de broer die altijd zo netjes was geweest, hard gewerkt had, altijd trouw naar de kerk ging, die broer stond daar met een bezem in z’n handen, bezweet als een otter de grond te boenen.


Om de aandacht te trekken van z’n broer klopte hij met een rond slingerende bierfles zo hard hij kon op het raampje. Als bij toeval keek zijn broer op om te zien waar dat geklop vandaan kwam en zo keek hij zijn jongere broer in de ogen. Wat een verrassing, ja, hij was er wel blij mee, het was alleen jammer dat de afscheiding ertussen zat.

Ook al ging het moeilijk, ze konden toch nog wat ervaringen uitwisselen. De oudste broer maakte zich ook nu nog zorgen over z’n broertje, maar deze wuifde alle zorgen weg door te zeggen dat hij het enorm getroffen had: ‘al mijn vrienden en vriendinnen zijn hier, de hoertjes, de kroegbaas, ja eigenlijk iedereen en we vermaken ons best, alle drank is gratis, lekker eten en noem maar op, nee ik heb het best naar mijn zin.’

‘Maar tussen twee haakjes, wat doe jij daar in hemelsnaam met een bezem in je handen?’ ‘Nou, ja,...eh, kijk…’ begon z’n oudste broer verlegen, ‘het is hier erg groot en de boel moet schoon gehouden worden. Iemand moet het toch doen.’ ‘Hoe bedoel je, doen die anderen dan helemaal niks?’ De oudste broer keek hem vragend aan: ‘Hoe bedoel je: die anderen, welke anderen?’ ‘Nou gewoon,.. de anderen.’ ‘Nou nee,.... er zijn geen anderen, ik ben hier helemaal alleen.’ En hij nam zijn bezem weer op en veegde rustig door alsof hij zijn hele leven niets anders had gedaan.


  • Nieuw

  • Reacties