‘Patsers’

4602-patsers (Door Jim Postma)

In een behoorlijk gerenommeerd restaurant zit ik te eten met een gezelschap. Twee van hen zijn miljonair.
Tijdens het etentje met deze miljonairs zat ik mij dood te ergeren. Niets was goed. De wijn niet, het voorafje niet, hoofdgerecht niet, niets! En dan de manier waarop zij dit met hun bekakte grote bekken brachten. Het eerst zo goedlachse en sympathieke dienstertje werd er bloednerveus van. Ik had met haar te doen.


De genante en denigrerende opmerkingen van dit rijke tuig, sloegen nergens op. Lallend, ordinaire. Ik schaamde mij diep voor deze patsers.
Een aantal keren stond ik op het punt hun tafel voor goed te verlaten.
Toen de rekening kwam van 420 euro, legden zij extra vernederend twee euro fooi neer. Mijn aandeel in de gezamenlijke bon had ik inmiddels ruimschoots voldaan. Achter hun ruggen om heb ik uit eigen zak nog eens vijftien euro achtergelaten voor dit ‘arme’ dienstertje.
Met deze kapsoneslijders wil ik nooit, ‘never more’ nog iets te maken hebben. Voor mij een wijze levensles. Miljonairs als geestelijke armoedzaaiers, die nooit van dit leven kunnen genieten. Althans, niet weten hoe. Nooit geleerd.

Af en toe helaas, kom je ze ook wel eens tegen in cafés. Niet altijd per se als miljonair. Wel hetzelfde type patsers. Zij lopen dan met bundels geld te zwaaien als ze een tientje moeten afrekenen in een volkskroeg. Met waaiers van 50 eurobiljetten. Willens en wetens steken zij daarmee de ogen uit van arme sloebers. Vaak oudere werklozen of wat jongere die buiten hun schuld in een uitkering zijn beland.
,,Waarom toch deze nodeloze opschepperij met geld?’’ dacht ik menig maal. Ik vroeg dit eens aan een van mijn stapmaten. Hij antwoordde kortaf: ,,Puur uit een minderwaardigheidscomplex!’’

Nog erger wordt het als zo’n ‘goudvis’ komt binnenlopen, terwijl hij zeker maandenlang niet in het café is gesignaleerd. Alle ogen van de bediening zijn nu op deze patser gericht. De stamgasten worden dan afgeblaft met: ,,Zie je niet dat ik met Henk bezig ben!’’ Terwijl zij dan al een kwartier slijmerig over hem heen hangen.
Om als vaste klant van over je nek te gaan, over zoveel horecahypocrisie.
Deze Henk stond ook bekend van het zwaaien met een hele flappenwaaier aan de bar.

De volgende dag hoorden wij dat hij na het verlaten van onze kroeg op straat was beroofd. Met een knuppel op zijn kop geslagen, tot bloedens toe.
,,Eigen schuld, dikke bult,’’ sprak stamoudste Jan toen met een onderdrukte glimlach naar onze uitbaatster.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

Over de schrijver

Jim Postma

Jim Postma (Rotterdam, 29-02-1948) is samen met Geert-Jan Laan in 2008 de papieren weekkrant Rotterdam Vandaag & Morgen begonnen, later gevolgd door deze elektronische krant.

Beide initiatiefnemers werkten daarvoor jarenlang als onderzoeksjournalisten bij de toenmalige dagkrant Het Vrije Volk.

Jim Postma werd in die tijd ook bekend van zijn dagelijkse rubriek ‘Stukgoed’, over de kleine dingen in het leven, die voor velen toch bijzonder belangrijk zijn. Zoals ‘normen en waarden’.

In dit kader onderscheidt hij zich de laatste paar jaar in weekkranten als columnist en recensent in het Rotterdamse kunstwereldje.

Ooit begon hij in 1965 als jong journalist bij de dagkrant De Rotterdammer en vertrok daarna voor zeven jaar naar Afrika als correspondent, onder meer voor Radio 1 en 2.

In de negentiger jaren, na het verlaten van het gefuseerde Het Vrije Volk begon Jim Postma met het maken van televisiedocumentaires. Een hele bekende, die hij samen maakte met fotograaf/filmer Paul Stolk, werd ‘Een rustige Jaarwisseling’ voor de NOS/NOB. (Waarderingscijfer 8.2 en met 2.4 miljoen kijkers).

Hieruit volgde de campagne voor jonge vuurwerkslachtoffers, ‘Je bent een rund als je met vuurwerk stunt’. Dit leidde in die tijd tot aanzienlijk minder slachtoffers.

Andere televisiedocumentaires van Jim Postma, onder meer gemaakt in Afrika en in Mongolië, werden uitgezonden via de VARA, EO, AVRO/TROS, de BRT en CNN.

KOPSTOOT

Trouwringen bij caféruzie

(Door Jim Postma)

Tijdens mijn inmiddels duizenden cafébezoeken in deze stad maakte ik heel wat caféruzies mee. Koning Alcohol was en is daarin meestal de boosdoener. Zo was ik ooit getuige dat in ons bekend café ‘De Schouw’ aan de Witte de Withstraat een barbaarse ruzie ontstond over een gokautomaat. Een toen nog jonge collega van mij, Piet Koster van Het Vrije Volk, werd in het conflict door een brute dronkenman neergeslagen. Met een bloedend gezicht lag hij op de grond.

Pas later bleek dat die lafhartige klap (onze Piet kon zich amper of niet verdedigen) zijn grootste geluk ter wereld werd. Op de gokkast zelf won hij namelijk - zoals zo velen - amper wat of niets. Toen hij op dat moment uitgestrekt lag, ontfermde zich een onbekende schone jonge dame over hem. Zij hielp hem overeind en verzorgde zijn wonden. Het werd liefde op het eerste gezicht. Piet en Vera trouwden later met elkaar, kregen kinderen en het werd tot in de lengte van dagen één groot stralend huwelijk…

Na die gemene rot klap heeft Piet overigens nooit meer op een gokkast gespeeld. Zo wijs was hij wel. Liefde en geluk zijn namelijk nooit te winnen op zo’n duivelse, vaak verslavende, kast. Inmiddels is mijn goede collega van destijds, dus Piet Koster, al weer enkele jaren geleden overleden.

Kemphanen
Recent was ik weer getuige, nu in café Centraal aan de Zwartjanstraat, van zo’n onbenullige caféruzie. Toevallig zat ik met mijn barkruk tussen de twee kemphanen in. Het ging om een gepensioneerde zwaarlijvige slager en een gesjeesde filosoof met een grote grijze bromsnor. De aanleiding van de barruzie was de leesbril van de overigens homofiele slager. Vervolgens gingen zij elkaar uitmaken voor ‘rotte vis’, zoals je ziet in de strips van Astrix en Obelix.

In hun scheldkanonnade werd zelfs God meerdere malen vervloekt. Totdat barkeepster Yvonne de boel probeerde te sussen door te zeggen: ‘God bestaat helemaal niet!’

De beide kemphanen werd hierdoor even de mond gesnoerd. Toen zei Yvonne: ‘God zit in jezelf..’ De filosoof dacht even na en zei toen aarzelend: ‘O, Die zit dus in je hersenen.’

Waarop de slager opnieuw begon met: ‘Dan zit Die zeker niet in jou. Want jij hebt helemaal geen hersenen!’

Nu ontplofte de filosoof tegen de slager, met: ‘Weet je wat jij bent hè. Een vuile vieze ruige varkenspoot.’

Op dat moment stond ‘Ruud de glazenwasser’ op. Een krachtpatser met het figuur van Jerommeke uit Suske en Wiske.

Onderweg naar de café-uitgang sprak hij vredelievend met zijn bekende gulle lach:

‘Heren, heren toch! Ben zo weer terug. Ik ga even twee trouwringen voor jullie halen!’


  • Nieuw

  • Reacties